De Waddenzee geldt als een van de belangrijkste natuurgebieden van Europa. Toch laat het onderzoek van marien ecoloog Kasper Meijer, winnaar van de KHMW Martinus van Marum Proefschriftprijs 2026, zien dat grote delen van het gebied in de praktijk minder goed beschermd zijn dan vaak wordt gedacht.
Kasper Meijer promoveerde op 7 oktober 2025 aan de Rijksuniversiteit Groningen op Status Quo or Status Faux: The conservation status of the subtidal Dutch Wadden Sea. Hierin combineert hij veldwerk, langjarige monitoring en nieuwe analysemethoden om beter te begrijpen hoe het ecosysteem van de Waddenzee functioneert, en hoe natuurbeheer effectiever kan worden ingericht.
Van Drachten naar de Waddenzee Meijer groeide op in Drachten, niet ver van de Waddenzee. “Vanuit school gingen we regelmatig naar de eilanden of het wad. Ook met mijn ouders kwamen we vaak op Texel, Ameland of Schiermonnikoog. Daardoor was er altijd wel een band met het gebied.”
Toch lag zijn wetenschappelijke belangstelling aanvankelijk ergens anders. “Zoals veel mariene biologen was ik tijdens mijn studie vooral gefascineerd door tropische ecosystemen en koraalriffen. Tijdens mijn master heb ik ook projecten in die richting gedaan.” Pas toen de Rijksuniversiteit Groningen hem vroeg promotieonderzoek te doen naar de Waddenzee, begon hij serieus over het gebied na te denken. “Ik moest eerst wel even schakelen: wilde ik echt onderzoek gaan doen in een koud, modderig systeem? Maar het maatschappelijke belang van het onderzoek gaf uiteindelijk de doorslag.”
Van die keuze heeft hij geen moment spijt gehad. “De Waddenzee is nog steeds een van de meest ongerepte stukjes natuur van Nederland. Soms ben je dagen achtereen op het wad aan het werk zonder iemand tegen te komen. Je ziet nog wel de skyline van Harlingen, maar tegelijk ervaar je daar een rust en stilte die je bijna nergens anders in Nederland vindt.”
Dat romantische beeld kent ook een keerzijde. “In de winter kan het echt loodzwaar zijn. Wij werkten vooral in het subtidale deel van de Waddenzee: het gedeelte dat permanent onder water staat. Onderzoekers op droogvallende platen kunnen tenminste nog zien wat ze doen. Wij moesten alles afleiden uit metingen en monsters.”
Een lappendeken van bescherming Tijdens zijn promotieonderzoek raakte Meijer steeds sterker geïnteresseerd in de vraag hoe effectief natuurbescherming in de Waddenzee eigenlijk is. Daarbij liep hij al snel tegen een verrassend probleem aan: niemand leek precies te weten welke beschermingsmaatregelen waar golden.
“Ik vroeg bij allerlei instanties kaarten en bestanden op van beschermde gebieden. Dan kreeg ik steeds te horen: daarvoor moet je eigenlijk bij een andere organisatie zijn. Of bepaalde kaarten overlapten niet goed met elkaar. Toen dacht ik: wat ís nou eigenlijk officieel beschermd?”
Om daarachter te komen dook hij uiteindelijk zelf in juridische teksten, vergunningen en coördinaten. “Ik ben al die grenzen gaan reconstrueren vanuit wet- en regelgeving. Toen bleek dat er best veel gaten en uitzonderingen in het systeem zitten.”
Volgens Meijer is de bescherming van de Waddenzee in de loop der jaren uitgegroeid tot een ingewikkelde lappendeken van afspraken, regelgeving en uitzonderingen. “Je hebt te maken met verschillende overheden, natuurorganisaties, visserijsectoren en beheerinstanties. Sommige maatregelen zijn wettelijk vastgelegd, andere zijn gebaseerd op afspraken tussen partijen. Daardoor ontbreekt een duidelijke samenhang.”
Zijn analyses laten zien dat beschermde gebieden lang niet altijd samenvallen met ecologisch waardevolle zones. “Veel beleid is in het verleden gebaseerd op aannames of onderhandelingen. Dat is op zich begrijpelijk, want voor het subtidale gebied bestonden nauwelijks gedetailleerde ecologische kaarten. Maar inmiddels hebben we veel meer data beschikbaar. Dan moet je ook bereid zijn om beleid daarop aan te passen.”
Volgens hem zou natuurbeheer dynamischer mogen worden ingericht. “Als blijkt dat een bepaald beschermd gebied ecologisch minder effectief is dan gedacht, moet je kunnen overwegen om bescherming te verschuiven naar plekken die wél cruciaal zijn.”
Niet alleen soorten tellen Een belangrijk onderdeel van Meijers onderzoek draait om zogeheten ‘functionele biodiversiteit’. Daarbij kijk je niet alleen naar hoeveel soorten ergens voorkomen, maar vooral naar wat die soorten doen binnen een ecosysteem.
“Ecosystemen veranderen voortdurend. Het ene jaar vind je bepaalde soorten wel op een plek, het andere jaar niet. Maar dat betekent niet automatisch dat het systeem minder goed functioneert. Soms neemt een andere soort dezelfde ecologische rol over.”
Om dat beter te kunnen analyseren ontwikkelde Meijer samen met collega’s een openbare database met eigenschappen van mariene soorten. Die bevat informatie over bijvoorbeeld levensduur, voortplanting en gedrag van soorten. “Voorheen zat veel van die informatie verspreid in oude rapporten of moeilijk toegankelijke literatuur. Wij wilden die kennis juist openbaar beschikbaar maken.”
De database maakt het mogelijk om ecosystemen op een andere manier te analyseren. Een voorbeeld daarvan is bioturbatie: het omwoelen van de zeebodem door organismen zoals wormen en schelpdieren. “Die soorten brengen zuurstof in de bodem en beïnvloeden allerlei chemische processen. Dat zijn belangrijke functies binnen het ecosysteem.”
Ook eigenschappen als levensduur blijken ecologisch relevant. “Langlevende soorten die zich langzaam voortplanten zijn vaak gevoeliger voor verstoring van de bodem. Als zulke soorten verdwijnen, zegt dat iets over de kwetsbaarheid van het systeem.”
De database wordt inmiddels al door andere onderzoeksgroepen gebruikt en vormt volgens Meijer een belangrijke basis voor toekomstig natuurbeheer. “Het is een levende database: we blijven nieuwe soorten en informatie toevoegen.”
Verstoring onder water In zijn onderzoek keek Meijer niet alleen naar beschermingsgebieden, maar ook naar verstoringen van het ecosysteem. Daarbij gaat het niet uitsluitend om visserij.
“We hebben vooral gekeken naar bodemberoering: verstoringen van de zeebodem. Dat kan door vistuigen gebeuren, maar bijvoorbeeld ook door ankers van schepen.”
Juist dat laatste aspect krijgt volgens hem nog weinig aandacht in beleid. “Ankeren wordt vaak gezien als iets heel normaals, maar lokaal kan het grote impact hebben. Zeker op kwetsbare habitats zoals zeegrasvelden.”
Hoewel de Waddenzee tegenwoordig nog maar weinig zeegras bevat, wordt gewerkt aan herstelprojecten. “Als je wilt dat zulke ecosystemen herstellen, moet je ook nadenken over waar schepen wel en niet mogen ankeren.”
Belangrijk daarbij is volgens hem dat verstoringen niet los van elkaar moeten worden bekeken. “Vaak wordt één activiteit afzonderlijk beoordeeld. Maar ecosystemen krijgen te maken met een optelsom van menselijke én natuurlijke verstoringen. Juist die cumulatie kan grote effecten hebben.”
Ecologie en beleid Meijer benadrukt dat hij als onderzoeker geen beleid wil voorschrijven. “Ik kan laten zien hoe het systeem functioneert en welke effecten bepaalde activiteiten hebben. Maar beleid gaat uiteindelijk ook over economische en maatschappelijke afwegingen.”
Dat betekent niet dat wetenschappers zich volledig afzijdig moeten houden van maatschappelijke discussies. Integendeel, vindt hij. “Vroeger was de houding vaak: wij doen alleen wetenschap en bemoeien ons niet met beleid. Daar zie je nu wel een verandering in. Als onderzoeker heb je veel kennis van een systeem, dus het is logisch dat je die deelt.”
Binnen het project waarin Meijer werkte werd veel aandacht besteed aan contact met beleidsmakers en andere betrokken partijen. Er waren stakeholderbijeenkomsten, presentaties en symposia waarin onderzoekers hun resultaten terugkoppelden. “Dat helpt enorm. Beleidsmakers krijgen daardoor vertrouwen in het onderzoek, en onderzoekers begrijpen beter welke vragen er leven.”
Volgens Meijer is die wisselwerking essentieel als wetenschappelijke kennis daadwerkelijk impact moet hebben. Verschillende onderdelen van zijn onderzoek worden inmiddels gebruikt door onder meer Rijkswaterstaat bij het evalueren van beschermingsmaatregelen en monitoring.
“Je moet bescherming als geheel bekijken” Voor de toekomst van de Waddenzee ziet Meijer nog veel ruimte voor verbetering. “Op dit moment bestaan er gebieden waar de ene vorm van bodemberoering verboden is, terwijl een andere vorm daarvan wel is toegestaan. Daardoor krijg je natuurgebieden die eigenlijk maar half beschermd zijn.”
Volgens hem zou het effectiever zijn om beschermingsmaatregelen beter op elkaar af te stemmen. “Als je verschillende verstorende activiteiten gezamenlijk uitsluit in een bepaald gebied, creëer je echt een robuust beschermd ecosysteem.”
Hij hoopt dat zijn onderzoek bijdraagt aan een meer samenhangende benadering van natuurbeheer in de Waddenzee. “De Waddenzee heeft niet voor niets de status van UNESCO-Werelderfgoed. Dan moet de bescherming in de praktijk daar ook echt bij aansluiten.”
Zelf blijft Meijer voorlopig actief in het onderzoek naar mariene ecosystemen. Momenteel werkt hij als postdoc bij het Helmholtz Institute for Functional Marine Biodiversity in Duitsland, waar hij onderzoek doet naar functionele biodiversiteit in het gehele Waddengebied tussen Nederland en Denemarken.
Een terugkeer naar tropische koraalriffen staat voorlopig niet op de planning. “Voor vakantie zijn de tropen prachtig,” zegt hij lachend. “Maar ik zit hier goed in de Waddenzee.”
Nu beschikbaar: Danspartners gezocht van Jan Donders en Flip de Kam: een toegankelijk geschreven analyse van het begrotingsbeleid van het kabinet-Jetten en de politieke keuzes daarachter.
Jan Donders was enige tijd werkzaam aan Tilburg University en vervulde daarna verschillende functies bij de SER, het ministerie van Economische Zaken, het CPB en het ministerie van Financiën. Vanaf 2005 was hij verbonden aan de Rijksacademie voor Financiën, Economie en Bedrijfsvoering, onder meer als directeur BoFEB.
Flip de Kam is honorair hoogleraar Economie van de publieke sector aan de Rijksuniversiteit Groningen en was korte tijd Tweede Kamerlid voor de PvdA.
Prijs: € 12,50 (incl. portokosten)
U kunt dit boek bestellen via onderstaand formulier. Na ontvangst van uw betaling wordt het boek per post toegestuurd.
Nu beschikbaar: Danspartners gezocht van Jan Donders en Flip de Kam: een toegankelijk geschreven analyse van het begrotingsbeleid van het kabinet-Jetten en de politieke keuzes daarachter.
Jan Donders was enige tijd werkzaam aan Tilburg University en vervulde daarna verschillende functies bij de SER, het ministerie van Economische Zaken, het CPB en het ministerie van Financiën. Vanaf 2005 was hij verbonden aan de Rijksacademie voor Financiën, Economie en Bedrijfsvoering, onder meer als directeur BoFEB.
Flip de Kam is honorair hoogleraar Economie van de publieke sector aan de Rijksuniversiteit Groningen en was korte tijd Tweede Kamerlid voor de PvdA.
Prijs: € 12,50 (incl. portokosten)
U kunt dit boek bestellen via onderstaand formulier. Na ontvangst van uw betaling wordt het boek per post toegestuurd.
Moet Nederland actiever kiezen in welke sectoren en technologieën het wil investeren? En is industriebeleid, na jaren van scepsis, weer verstandig economisch beleid?
Deze vragen stonden centraal tijdens het 17e Wim Drees Seminar op 24 maart 2026 in het gloednieuwe gebouw van de Universiteitscampus Spui in Den Haag. Sprekers waren drs. Frans van Houten, Board of Directors Novartis en oud-president en CEO Royal Philips, dr. Paul de Bijl, Chief Economist Autoriteit Consument & Markt, en prof. dr. Marcel Timmer, hoogleraar Economische groei en ontwikkeling Rijksuniversiteit Groningen en directielid Centraal Planbureau. Zij gingen onder leiding van moderator prof. dr. Barbara Baarsma, hoofdeconoom PwC Nederland, hoogleraar toegepaste economie Universiteit van Amsterdam en voorzitter Bankraad DNB met elkaar en met de zaal in debat over concurrentiekracht, strategische autonomie, publieke waarden en de rol van de overheid in de economie.
Aanleiding voor het seminar vormden recente analyses en oproepen tot actie, onder meer van Mario Draghi en Peter Wennink, die wijzen op de verslechterende economische positie van Europa. De centrale vraag was niet alleen óf er iets moet gebeuren, maar vooral hoe: met meer regie, gerichte investeringen en industriepolitiek, of juist met meer aandacht voor de beperkingen en risico’s van overheidssturing.
Europa verliest terrein Frans van Houten opende het seminar met een urgent pleidooi voor versterking van het Nederlandse en Europese verdienvermogen. Volgens hem heeft Europa lange tijd kunnen profiteren van globalisering, relatief goedkope energie en de veiligheidsgarantie van de Verenigde Staten, maar zijn die omstandigheden inmiddels fundamenteel veranderd. De economische groei blijft achter, de kosten stijgen en geopolitieke verhoudingen verschuiven. Als het verdienvermogen van Europa verder verzwakt, komen volgens hem uiteindelijk ook sociale voorzieningen en publieke waarden onder druk te staan.
Hij plaatste zijn analyse in een breder theoretisch kader. Verwijzend naar het werk van Michael Porter benadrukte hij dat het concurrentievermogen van landen samenhangt met productiviteit, innovatiekracht en de kwaliteit van randvoorwaarden zoals kennis, arbeid, kapitaal en infrastructuur. Daarnaast onderstreepte hij, in lijn met Why Nations Fail van Daron Acemoglu en James Robinson, het belang van sterke politieke en economische instituties voor duurzame groei en stabiliteit.
Tegen deze achtergrond schetste Van Houten een vergelijking tussen de Verenigde Staten, China en Europa. De Verenigde Staten beschikken volgens hem over gunstige voorwaarden voor innovatie en ondernemerschap, waaronder ruime toegang tot kapitaal, relatief lage energieprijzen en een grote interne markt. China combineert een consistente langetermijnstrategie met actieve industriële sturing en grootschalige investeringen in infrastructuur en grondstoffen. Europa daarentegen kampt met hoge energieprijzen, een gefragmenteerde markt, complexe regelgeving en een langdurige terughoudendheid ten aanzien van industriepolitiek. Dat maakt het volgens hem moeilijk om effectief tegenwicht te bieden aan beide grootmachten.
Van analyse naar actie Volgens Van Houten is de analyse van deze ontwikkelingen inmiddels overtuigend gemaakt, onder meer in recente rapporten van Mario Draghi en Peter Wennink. De uitdaging ligt nu vooral in de uitvoering. Europa heeft een meerjarige strategie nodig voor groei en waardecreatie, waarin duidelijke keuzes worden gemaakt voor kansrijke sectoren. Hij noemde daarbij onder meer digitale technologie en kunstmatige intelligentie, veiligheid en weerbaarheid, energie en klimaat, en life sciences en biotech.
Zo’n strategie vraagt volgens hem om een actievere rol van de overheid. Niet om individuele bedrijven te ondersteunen die in moeilijkheden verkeren, maar om doelgericht voorwaarden te creëren voor toekomstige economische kracht. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om investeringen in talent en infrastructuur, snellere vergunningverlening, aantrekkelijkere investeringscondities, strategisch gebruik van publieke inkoopmacht en intensievere publiek-private samenwerking. Ook pleitte hij ervoor meer Europees kapitaal in Europa zelf te investeren.
Van Houten sprak in dit verband van “industriepolitiek 2.0”: een gerichte strategie die inzet op nieuwe groeigebieden in plaats van op het behoud van bestaande structuren. Dat vraagt volgens hem om duidelijke prioriteiten en consistent beleid op de lange termijn.
Gerichte keuzes en sterke randvoorwaarden Een succesvolle strategie vergt volgens Van Houten niet alleen investeringen, maar ook duidelijke keuzes. Landen moeten zich richten op terreinen waarop zij daadwerkelijk kansrijk zijn, in plaats van te proberen te concurreren op gebieden waar andere regio’s structureel sterker staan. Het rapport-Wennink noemt in dat verband vier strategische groeigebieden die richting kunnen geven aan toekomstig beleid.
Cruciaal daarbij is het gericht inzetten van randvoorwaarden. Overheden kunnen via hun beleid knelpunten wegnemen en groeikansen versterken door bijvoorbeeld gespecialiseerd talent beschikbaar te maken, schaarse middelen strategisch te alloceren, investeringen te stimuleren en besluitvorming te versnellen. Ook het bijeenbrengen van bedrijven, kennisinstellingen en overheden rond gezamenlijke prioriteiten is volgens hem essentieel voor het ontstaan van sterke economische ecosystemen.
Investeren in toekomstig verdienvermogen Volgens Van Houten vergt deze koers omvangrijke investeringen, mogelijk oplopend tot honderden miljarden euro’s. Hogere belastingen acht hij daarvoor geen geschikte oplossing, omdat die investeringen juist kunnen afremmen. In plaats daarvan pleitte hij ervoor de relatief sterke Nederlandse schuldpositie te benutten voor structurele investeringen in infrastructuur, energie en klimaat.
Daarnaast ziet hij een belangrijke rol voor institutionele beleggers. Pensioenfondsen zouden volgens hem een groter deel van hun vermogen in Nederland kunnen investeren, terwijl ook privaat kapitaal sterker kan worden gemobiliseerd als de randvoorwaarden voor langetermijninvesteringen verbeteren. Daarbij moet het volgens hem vooral gaan om investeringen in nieuwe groeisectoren, niet om het in stand houden van activiteiten zonder toekomstperspectief.
Leiderschap en lange termijn De voorgestelde transformatie vraagt volgens Van Houten om consistent beleid over een langere periode en om duidelijke regie van overheid en instituties, in nauwe samenwerking met private partijen. Publieke investeringen mogen daarbij gepaard gaan met wederkerige afspraken over bijdragen van bedrijven aan maatschappelijke doelen.
Leiderschap betekent in zijn visie ook dat beleid waar nodig wordt bijgesteld, verantwoordelijkheden helder worden belegd en voortgang transparant wordt gevolgd. Zulke werkwijzen zijn in het bedrijfsleven vanzelfsprekend, maar zouden volgens hem ook op nationaal niveau vaker kunnen worden toegepast.
Daarnaast benadrukte hij het belang van draagvlak. Structurele veranderingen vragen om een overtuigend verhaal richting samenleving en politiek, waarin duidelijk wordt gemaakt waarom versterking van het verdienvermogen noodzakelijk is en welke keuzes daarvoor nodig zijn. Ook culturele factoren spelen daarbij een rol: een mentaliteit gericht op samenwerking, initiatief en vertrouwen is volgens hem essentieel voor succesvolle economische vernieuwing.
Van Houten verwees tot slot naar internationale voorbeelden van landen die door consistente strategische keuzes hun economische structuur ingrijpend hebben versterkt. Tegen die achtergrond riep hij op om minder tijd te besteden aan verdere analyse en meer aan uitvoering. Dat leidde tot zijn centrale vraag aan panel en publiek: onderschrijven zij de analyse dat het Nederlandse verdienvermogen versterking nodig heeft, en zijn zij bereid de bijbehorende keuzes te maken?
Een breder verhaal dan alleen concurrentiekracht Paul de Bijl kon zich op hoofdlijnen vinden in de analyse dat de urgentie groot is en dat Nederland en Europa werk moeten maken van hun economische toekomst. Toch plaatste hij twee belangrijke kanttekeningen.
De eerste is dat Nederland dit niet alleen kan. Nederland is, in economisch en geopolitiek opzicht, te klein om op eigen kracht de slag met de Verenigde Staten of China aan te gaan. Wie over industriebeleid spreekt, moet volgens De Bijl dus vooral ook spreken over Europa en over samenwerking met andere Europese landen.
Zijn tweede kanttekening betrof het verhaal waarmee zulke keuzes politiek en maatschappelijk moeten worden gelegitimeerd. Een beroep op concurrentiekracht, innovatie en economische groei alleen is volgens hem niet genoeg om draagvlak te creëren. Wie burgers en politiek wil meenemen, moet ook duidelijk maken wat zulke investeringen betekenen voor hun dagelijks leven: voor wonen, werk, energievoorziening, onderwijs en kansen om betekenisvol mee te doen in de samenleving.
Ten derde wijst De Bijl erop dat de noodzakelijke economische koerswijzigingen vragen om investeringen en beleidsconsistentie over een periode van ongeveer twintig jaar. Dat botst met het ritme van de politiek, die meestal in cycli van twee tot vier jaar opereert. Juist dat spanningsveld vormt een van de grootste praktische uitdagingen bij het realiseren van een langetermijnstrategie voor het verdienvermogen van Nederland en Europa.
Barbara Baarsma vraagt vervolgens of deze koerswijziging ook schaalvergroting in Europees verband vereist. De Bijl bevestigt dat dit in veel gevallen noodzakelijk is, maar wijst er tegelijk op dat zulke stappen steeds per sector en per toepassing zorgvuldig moeten worden beoordeeld. Het vaak genoemde voorbeeld van een Europese cloud laat volgens hem zien dat schaalvergroting in de praktijk complex is en niet zonder meer vanzelfsprekend.
Een economie is geen bedrijf Marcel Timmer onderschreef de noodzaak van meer investeringen, meer dynamiek en meer aandacht voor de lange termijn. Maar hij maakte ook duidelijk dat hij moeite heeft met de onderliggende logica van veel pleidooien voor nieuw industriebeleid. Die zijn volgens hem vaak geschreven vanuit het perspectief van een topbestuurder uit het bedrijfsleven: begrijpelijk, maar ook beperkt.
Zijn kernpunt was dat een nationale economie geen bedrijf is. In een bedrijf kun je vrij direct sturen op winst, investeringen en schaal. In een samenleving ligt dat fundamenteel anders, omdat daar altijd meerdere publieke doelen tegelijk in het spel zijn. Wie beleid maakt voor een land, moet niet alleen kijken naar economische groei, maar ook naar onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg, sociale zekerheid, milieu en verdelingsvraagstukken.
Timmer verwees naar het belang van zogeheten inclusieve instituties: instituties die ervoor zorgen dat kansen, macht en middelen breed worden gedeeld. Volgens hem zijn onderwijs, zorg en sociale zekerheid niet louter kostenposten die betaald kunnen worden zodra het bedrijfsleven voldoende winst maakt. Ze zijn zelf ook een voorwaarde voor economische kracht, omdat zij mensen in staat stellen risico’s te nemen, zich te ontwikkelen en productief deel te nemen aan de economie.
Daarnaast benadrukte Timmer dat er in de praktijk grenzen zijn aan wat tegelijk kan worden gedaan. Als de overheid tientallen grote projecten tegelijk wil uitvoeren, loopt zij al snel aan tegen schaarste aan arbeid, ruimte, energie en infrastructuur. Daarom is prioritering onvermijdelijk. Niet alles kan tegelijk, en juist daar wordt de vraag naar industriebeleid lastig: wie kiest wat voorrang krijgt, op basis van welke criteria, en hoe voorkom je dat vooral goed georganiseerde belangen de doorslag geven?
Volgens Timmer ligt daar een belangrijke rol voor de overheid, maar eerder als coördinator en facilitator dan als partij die precies aanwijst welke winnaars de economie van morgen zullen zijn. Nieuwe bedrijvigheid en innovatie ontstaan vaak op onverwachte plekken. Juist daarom moeten ecosystemen worden ondersteund, nieuwe activiteiten ruimte krijgen en verschillende vormen van expertise worden samengebracht.
Gedeelde urgentie, verschillende accenten In de slotdiscussie bleek dat de drie sprekers ondanks hun verschillende invalshoeken op hoofdlijnen dichter bij elkaar stonden dan hun onderlinge accenten soms deden vermoeden. Zij waren het erover eens dat het Nederlandse en Europese verdienvermogen versterking vraagt en dat daarvoor gerichter beleid, Europese samenwerking en investeringen op langere termijn noodzakelijk zijn.
Tegelijk benadrukten De Bijl en Timmer dat economische strategie altijd moet worden verbonden met bredere maatschappelijke doelen, zoals onderwijs, gezondheid en inclusiviteit. Van Houten onderschreef dat punt en stelde dat economische groei en sociale vooruitgang elkaar juist versterken: een sterke economie vormt uiteindelijk de basis voor publieke voorzieningen en brede welvaart.
De verschillen tussen de sprekers lagen dan ook minder in de richting van de oplossing dan in de vraag hoe ver de overheid moet gaan in het maken van keuzes en hoe zulke maatregelen politiek en maatschappelijk gedragen kunnen worden. Over één punt bestond echter brede overeenstemming: niets doen is geen optie.
KHMW-Eizenga beurzen voor MBA of studie economie in de VS
De Koninklijke Hollandse Maatschappij der Wetenschappen stelt, uit de nalatenschap van Prof. dr. W. Eizenga, jaarlijks maximaal vijf beurzen van elk 50.000 USD ter beschikking voor een MBA of een studie economie op graduate niveau in de Verenigde Staten. Het beurzenprogramma wordt namens de KHMW uitgevoerd door het Fulbright Center. U kunt tot 7 april 2026, 12.00 uur, een aanvraag indienen voor academisch jaar 2026-2027. VOORWAARDEN EN INSCHRIJVEN.