dinsdag, april 14, 2026 | Headlines, Interviews
Vanaf dit jaar stelt de KHMW jaarlijks een onderzoeksbate beschikbaar voor wetenschappelijk onderzoek in de Nederlandse Cariben, Suriname en Indonesië. De Treub Bate is vernoemd naar Melchior Treub (1815-1910), directeur van 's Lands Plantentuin in Buitenzorg op Java. De naar hem vernoemde Treub-Maatschappij, opgericht in 1890, is in 2024 als Fonds op naam ondergebracht bij de KHMW.
De allereerste Treub Bate is toegekend aan een internationaal team onder leiding van paleoantropoloog Eduard Pop (Naturalis Biodiversity Center), voor onderzoek naar de datering van Homo erectus-vindplaatsen op Java. In dit interview licht hij het project toe.

Eduard Pop
Uw project richt zich op de datering van Homo erectus-vindplaatsen op Java. Waarom is juist de ouderdom van deze vindplaatsen zo belangrijk voor ons begrip van de menselijke evolutie?
Sinds de eerste vondsten van de Nederlandse arts, antropoloog en paleontoloog Eugène Dubois (1858-1940) op Java zijn er veel nieuwe fossielen ontdekt, zowel in Azië als in Afrika en Europa. Toch bestaat er nog altijd discussie over de ouderdom van veel vindplaatsen op Java. Dat maakt het lastig om precies te reconstrueren wanneer Homo erectus Zuidoost-Azië bereikte en hoe deze populaties zich daarna ontwikkelden.
Daarbij kijken we niet alleen naar de fossielen zelf, maar ook naar veranderingen in het landschap. Schommelingen in zeespiegel en klimaat hebben in het verleden grote invloed gehad op de leefomgeving van vroege mensen, en die factoren willen we met elkaar in verband brengen.
Over welke periode hebben we het eigenlijk?
Grofweg gaat het om een periode tussen ongeveer 1,5 miljoen en 100.000 jaar geleden. De precieze datering van veel vindplaatsen binnen dat tijdsvenster is nog onzeker, en juist daar richt dit project zich op.
Waarom is het zo lastig om zulke oude vindplaatsen nauwkeurig te dateren?
Voor relatief recente perioden beschikken archeologen over methoden zoals koolstof-14-datering. Voor oudere vindplaatsen werkt dat niet meer. Dan moet je indirect dateren, bijvoorbeeld via diersoorten die samen met fossielen worden gevonden, of via de geologische lagen waarin ze liggen. Maar zulke chronologische kaders worden regelmatig herzien.
Wij gebruiken daarom een methode die gebaseerd is op radioactief verval van isotopen: argon-argondatering. Die wordt traditioneel toegepast op vulkanische aslagen. Op Java liggen fossielen echter vaak in rivierafzettingen of modderstromen waarin materiaal uit verschillende perioden door elkaar is geraakt. Daardoor leveren klassieke dateringen soms onbetrouwbare resultaten op.
In dit project dateren we daarom niet één mengmonster, maar afzonderlijke kristallen. Door tientallen tot honderd individuele kristallen per monster te analyseren, kunnen we de jongste leeftijdsgroep isoleren. Die geeft de meest betrouwbare schatting van de ouderdom van de afzetting waarin de fossielen zijn gevonden.
U onderzoekt onder meer klassieke vindplaatsen zoals Sangiran en Trinil. Waarom zijn juist deze locaties zo belangrijk?
Trinil is de plek waar Dubois eind negentiende eeuw de eerste Homo erectus-fossielen beschreef. Daarmee werd de basis gelegd voor het onderzoek naar menselijke evolutie in Zuidoost-Azië. Tegelijk bestaan er nog altijd vragen over de exacte herkomst en ouderdom van die fossielen.
Sangiran is minstens zo belangrijk, omdat daar zeer veel Homo erectus-materiaal uit verschillende lagen is gevonden. Ondanks intensief onderzoek bestaat er nog steeds discussie over wanneer Homo erectus daar precies arriveerde en hoe de populaties zich vervolgens ontwikkelden. Sangiran en Trinil behoren daarom tot de sleutelvindplaatsen in het internationale paleoantropologische onderzoek.
Het doel van uw project is dus vooral het vaststellen van een betrouwbare chronologie?
Ja. We dateren meerdere vindplaatsen op dezelfde manier, zodat we ze onderling goed kunnen vergelijken. Daardoor kunnen we beter bepalen welke vindplaatsen ouder of jonger zijn en hoe de ontwikkeling van Homo erectus op Java in de tijd is verlopen. Daarbij kijken we ook naar veranderingen in het landschap waarin deze populaties leefden.

Onderzoekers Eduard Pop en Jeroen van der Lubbe verzamelen samen met collega’s van BRIN, Harman Rachmadhan, Yves Belgiaswara en Enriko, sedimentmonsters nabij Bumiayu (Centraal-Java, Indonesië), die in het project worden geanalyseerd.
Uw onderzoek kan bijdragen aan een herziening van het traditionele ‘Out of Africa’-model. Wat betekent dat precies?
Een van de vindplaatsen die we onderzoeken is Bumiayu. Daar is een zeer oude fauna gevonden, mogelijk ouder dan de bekende Homo erectus-vindplaatsen op Java. Tot nu toe zijn daar nog geen duidelijke Homo erectus-fossielen aangetroffen in dezelfde lagen, maar dat kan veranderen. Het nieuwe door Indonesië geleide veldwerkproject kan daar een belangrijke rol in spelen.
Daarnaast zijn recent fossielen onderzocht van Meganthropus javanicus, een mensachtige vorm die mogelijk verwant is aan nog oudere Afrikaanse soorten. Dat zou erop kunnen duiden dat de aanwezigheid van vroege mensachtigen in Zuidoost-Azië complexer is dan we tot nu toe dachten.
Dat betekent niet dat de oorsprong van de mens buiten Afrika zou liggen. Wel kan het erop wijzen dat migraties eerder plaatsvonden of complexer verliepen dan het klassieke model veronderstelt.
De Treub Bate is bedoeld om onderzoek in Indonesië te stimuleren. Hoe sluit uw project aan bij bestaande Indonesisch-Nederlandse samenwerking?
Nederlandse onderzoekers zijn al lange tijd actief in wat nu Indonesië is, maar dit onderzoek vond in het verleden plaats binnen een koloniale context. Tegenwoordig werkt Naturalis op verschillende vlakken intensief samen met Indonesische partners. Sinds een jaar of tien is ook het gezamenlijke palaeoantropologisch veldwerk in Indonesië sterk geïntensiveerd. Dit project sluit direct aan bij deze bestaande, gelijkwaardige samenwerking.
Een deel van de subsidie wordt gebruikt om een Indonesische onderzoeker in Nederland te trainen. Wat is het belang daarvan?
De argon-argon-dateringsmethode wordt momenteel nog niet in Indonesië uitgevoerd. Door een Indonesische onderzoeker actief te betrekken bij het laboratoriumwerk in Amsterdam, dragen we bij aan kennisoverdracht en de opbouw van lokale expertise. Dat maakt het mogelijk om in de toekomst vergelijkbaar onderzoek ook in Indonesië uit te voeren.
Tegelijk vereist deze methode zeer gespecialiseerde infrastructuur. Monsters moeten bijvoorbeeld eerst worden bestraald in een onderzoeksreactor voordat ze geanalyseerd kunnen worden. Ook Nederlandse onderzoekers maken daarvoor gebruik van internationale faciliteiten, onder meer in de Verenigde Staten. Dit betekent dat samenwerking op dit punt inherent internationaal blijft, maar wel op een steeds gelijkwaardiger basis, met gedeelde expertise en verantwoordelijkheden.
In hoeverre bouwen hedendaagse onderzoekers nog voort op de ontdekkingen van Eugène Dubois?
Het onderzoek naar Trinil bouwt nog steeds voort op de vondsten van Eugène Dubois. Zijn documentatie vormt een belangrijke basis, maar met moderne technieken kunnen we vandaag de dag de ouderdom en herkomst van fossielen veel nauwkeuriger bepalen. Tegelijkertijd is er meer aandacht voor de historische context waarin dit onderzoek plaatsvond, inclusief de rol van koloniale verhoudingen. Beide aspecten zijn essentieel om de Dubois-collectie goed te begrijpen.
Een deel van de Dubois-collectie wordt momenteel gerestitueerd aan Indonesië. Speelt dat een rol in het huidige onderzoek?
Ja. De belangrijkste fossielen, waaronder het beroemde dijbeen en een kies, zijn inmiddels teruggegeven aan Indonesië. Andere delen van de collectie zullen binnenkort volgen.
De Indonesische instellingen beschikken inmiddels over goede faciliteiten voor beheer en onderzoek. Bovendien wordt er in Indonesië zelf steeds meer geïnvesteerd in paleoantropologisch onderzoek. Dat versterkt niet alleen de samenwerking, maar draagt ook bij aan een meer gelijkwaardige onderzoeksrelatie.
Tegelijk speelt onderzoek naar menselijke evolutie in Indonesië niet alleen een wetenschappelijke rol, maar ook een maatschappelijke. De vroege menselijke geschiedenis van Java wordt gezien als een belangrijk onderdeel van het nationale verleden. Kennis over Homo erectus maakt bijvoorbeeld deel uit van het onderwijs, en lokale musea zoals dat bij Trinil worden regelmatig door schoolklassen bezocht.

Veldwerkteam dat tussen 2022 en 2024, in samenwerking met BRIN, opgravingen uitvoerde bij Sogen (op de achtergrond), langs de oevers van de Solo-rivier, circa 8 km ten oosten van Trinil; Eduard Pop uiterst rechts.
Uw project brengt verschillende vindplaatsen voor het eerst in één samenhangend chronologisch kader. Wat betekent dat voor toekomstig onderzoek?
Als we een betrouwbaar tijdskader hebben voor meerdere vindplaatsen tegelijk, kunnen nieuwe vondsten daar beter in worden geplaatst. Dat maakt het eenvoudiger om hun ouderdom en betekenis te bepalen.
Tot nu toe gebeurde dat vaak op basis van indirecte aanwijzingen, zoals diersoorten of geologische formaties. Door directe datering van de sedimentlagen ontstaat een veel steviger referentiekader voor toekomstig onderzoek.
Wat maakt de Treub Bate mogelijk dat zonder deze subsidie niet haalbaar zou zijn geweest?
De subsidie maakt het mogelijk om zowel het dateringsonderzoek zelf uit te voeren als een Indonesische onderzoeker bij het project te betrekken. Daarmee investeren we niet alleen in nieuwe resultaten, maar ook in duurzame samenwerking en kennisopbouw.
Daarnaast vormt dit project een belangrijke stap richting grotere gezamenlijke onderzoeksprogramma’s in de toekomst. In die zin is de Treub Bate een opstap naar vervolgonderzoek op grotere schaal.
maandag, april 13, 2026 | Headlines
In het jubileumjaar 2026–2027 viert de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, opgericht in 1752, haar 275-jarig bestaan. Ter viering van dit lustrum ontwikkelden toneelschrijver Philip Walkate en regisseur Gepke Witteveen de eenakter Mijn thuis, ons huis, geïnspireerd op het leven van Keetje Hodshon en de geschiedenis van de Maatschappij. Op zondag 31 mei is deze voorstelling niet alleen toegankelijk voor leden, maar ook - en vooral - voor het algemeen publiek.
De eenakter Mijn thuis, ons huis beleeft zijn première tijdens de Algemene Vergadering op zaterdag 30 mei. De voorstelling wordt die dag twee keer opgevoerd: één keer 's ochtends, voor leden die hun familieleden willen meenemen, en één keer 's middags, tijdens het besloten deel van de Algemene Vergadering.
De dag ná de Algemene Vergadering, dus op zondag 31 mei, opent de KHMW de deuren van het Hodshonhuis voor het algemene publiek uit Haarlem en ver daarbuiten. Iedereen is welkom om deze bijzondere voorstelling bij te wonen in Keetjes eigen stadspaleis aan het Spaarne. Voor en na de voorstelling is er gelegenheid de stijlkamers van het Hodshonhuis te bezichtigen.
Over de voorstelling
In Mijn thuis, ons huis krijgt het publiek een kijkje in het leven van Keetje Hodshon (1768–1829), die haar hele leven in Haarlem woonde. We volgen haar vanaf haar jeugd en maken kennis met het dagelijkse leven in haar stadspaleis, waar het Haarlems patriciaat bijeenkwam en zelfs koninklijk bezoek werd ontvangen.
Door haar verhaal loopt dat van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, opgericht in Haarlem in 1752. Van de zoektocht naar een geschikt onderkomen tot de vele prijsvragen en activiteiten waarmee de Maatschappij de wetenschap bevorderde: leden, directeuren en secretarissen komen tot leven in een voorstelling waarin persoonlijke geschiedenis en institutioneel verleden samenkomen.
Keetje Hodshon trouwde nooit en kreeg geen kinderen, maar liet een bijzonder erfgoed na: het Hodshonhuis, dat tot op de dag van vandaag het kloppend hart vormt van de wetenschap in Haarlem.
Cast: Linda Møller, Guusje van Tilborgh, Inge Bryan, Joop Keesmaat, Casper van Bohemen en Robert Sauerwein
Tekst: Philip Walkate
Regie: Gepke Witteveen
Kaartverkoop
De voorstelling wordt ook op zondag 31 mei twee keer opgevoerd: 13.30–14.30 uur (inloop vanaf 13.00 uur) en 15.45–16.45 uur (inloop vanaf 15.15 uur). Kaarten kosten € 10,00 p.p. en zijn te bestellen via onderstaande link.
OPENBARE VOORSTELLING: “Mijn thuis, ons huis – Keetje Hodshon en de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, 1752-1852”
vrijdag, april 10, 2026 | Headlines
De KHMW Van der Aa Oeuvreprijs 2026 is toegekend aan prof. dr. P.P. (Peter) Wakker, hoogleraar Beslissen onder Onzekerheid bij de opleiding Gedragseconomie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Professor Peter Wakker behoort internationaal tot de meest invloedrijke onderzoekers op het gebied van beslissen onder risico en onzekerheid. Gedurende meer dan veertig jaar heeft hij een fundamentele bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de besliskunde en de gedragseconomie. Zijn onderzoek naar prospecttheorie, kansweging, ambiguïteitshoudingen en nutsmeting heeft het moderne economische denken over keuze en rationaliteit mede vormgegeven en wordt breed toegepast in economie, psychologie, gezondheidszorg en verzekeringswetenschap.
Een belangrijk ijkpunt in zijn oeuvre is zijn gezamenlijke artikel met Amos Tversky uit 1995 in Econometrica, dat nog steeds geldt als een theoretisch fundament voor onderzoek naar risicovoorkeuren. Ook zijn samenwerking met Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman over zogenoemde experienced utility (ervaren nut) heeft grote invloed gehad op het onderzoek naar welzijn en besluitvorming. Daarnaast vormt zijn boek Prospect Theory for Risk and Ambiguity (2010) een standaardwerk voor onderzoekers wereldwijd.
Wakkers werk onderscheidt zich door zijn combinatie van theoretische diepgang en maatschappelijke relevantie. Zijn inzichten dragen bij aan betere besluitvorming in onder meer gezondheidszorg, pensioenbeleid en verzekeringen, en hebben generaties onderzoekers in binnen- en buitenland beïnvloed.
‘De gemiddelde Nederlander is te bang voor risico’, stelt Wakker in een interview voor de KHMW-website (link hieronder). ‘Daardoor worden pensioenfondsen beperkt in wat zij zouden moeten doen. Uiteindelijk kost die onredelijke angst voor risico en korte-termijnverliezen iedere Nederlander veel geld.’
Volgens Wakker is beter begrip van onzekerheid van groot belang voor maatschappelijke besluitvorming. ‘Als we in Nederland beter zouden begrijpen hoe je verstandig met risico omgaat, zou dat de samenleving veel opleveren.’
Wakker speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de gedragseconomie, zowel in Nederland als internationaal. Hij werkte niet alleen aan theoretische modellen, maar deed ook praktijkervaring op bij het Centraal Bureau voor de Statistiek en in de medische besliskunde in ziekenhuizen. Daarmee droeg hij bij aan toepassingen van besliskundige inzichten in uiteenlopende maatschappelijke contexten.
Hoewel de KHMW Van der Aa Oeuvreprijs een bekroning vormt van een lange en invloedrijke loopbaan, is Wakker nog niet van plan om te stoppen. ‘Ik heb nog veel ideeën die ik graag wil uitwerken en overbrengen, eigenlijk meer dan in één mensenleven past.’
Lees hier het volledige interview met Peter Wakker:
Peter Wakker: “Ik had vanaf het begin mijn eigen vragen en intuïties”
KHMW
De KHMW Van der Aa Oeuvreprijs wordt toegekend door de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen (KHMW). De KHMW, opgericht in 1752, is het oudste wetenschappelijk genootschap van Nederland.
De KHMW Van der Aa Oeuvreprijs van € 25.000, mede mogelijk gemaakt vanuit de Stichting Jan Brouwer Fonds, wordt met ingang van 2024 jaarlijks uitgereikt als eerbetoon aan een wetenschapper die zich verdienstelijk heeft gemaakt op het gebied van de geestes- en maatschappijwetenschappen. Reglementair is de prijs ieder jaar voor een ander vakgebied bestemd. In 2026 zijn de economische en bedrijfswetenschappen aan de beurt.
De uitreiking vindt plaats op maandag 29 juni 2026 in het Hodshonhuis, zetel van de KHMW in Haarlem. Op deze dag worden ook de KHMW Langerhuizen Oeuvreprijs, de KHMW Langerhuizen Bate, de KHMW Proefschriftprijs Maatschappijwetenschappen, de KHMW Keetje Hodshon Proefschriftprijs, de KHMW Martinus van Marum Proefschriftprijs, de KHMW Proefschriftprijs Interdisciplinariteit en de KHMW Treub Bate uitgereikt. Kijk hier voor meer informatie:
Prijsuitreiking – Van der Aa Oeuvreprijs, Langerhuizen Oeuvreprijs en Bate, Treub Bate, Proefschriftprijs Interdisciplinariteit, Proefschriftprijs Maatschappijwetenschappen, Keetje Hodshon Proefschriftprijs, Martinus van Marum Proefschriftprijs
dinsdag, april 7, 2026 | Uncategorized
Professor Peter Wakker (EUR) ontvangt de KHMW Van der Aa Oeuvreprijs 2026 voor zijn baanbrekende werk op het gebied van de gedragseconomie. Zijn specialisme is de zogenaamde ‘besliskunde’. Al meer dan veertig jaar onderzoekt hij hoe mensen keuzes maken. Die blijken vaak minder rationeel dan we denken.
U studeerde aanvankelijk wiskunde. Hoe bent u in de gedragseconomie terechtgekomen?
Tijdens mijn studie specialiseerde ik me in statistiek, maar al vroeg had ik het gevoel dat de klassieke statistiek, zoals die meestal wordt onderwezen, niet klopte. Toen maakte ik kennis met de Bayesiaanse benadering van statistiek, en die sprak mij meteen aan. In de klassieke statistiek leert men dat je alleen over kansen kunt spreken bij herhaalbare gebeurtenissen, zoals bij muntworpen. Een docent zei bijvoorbeeld dat je niet kunt spreken over de kans dat er leven op Mars is, omdat dat geen herhaalbaar experiment is. Dat vond ik als student vreemd: ook bij een eenmalige gebeurtenis ben je onzeker, en die onzekerheid speelt mee in je beslissingen. Dit idee leidt tot een subjectief kansbegrip. Op een goed moment zette iemand me op spoor van de Bayesiaanse benadering, waarin dit begrip centraal staat. Vanaf dat moment wist ik: dit is de richting die ik op wil, en ik heb sindsdien geprobeerd om zoveel mogelijk mensen van dat perspectief te overtuigen.
Hoe kwam u vervolgens bij de economie terecht?
Ik was in het begin op mezelf aangewezen. Ik had geen begeleiders die dit terrein kenden. Ze zeiden: als je dit wilt doen, prima, maar wij kunnen je niet helpen. Pas later wees iemand mij erop dat economen zich met zulke beslisprincipes bezighielden. Zo kwam ik via de statistiek in de economie en uiteindelijk in de gedragseconomie terecht.
U zocht dus al vroeg heel nadrukkelijk uw eigen weg.
Ja, dat klopt. De meeste studenten komen terecht in een bestaand onderzoeksproject, onder leiding van een hoogleraar. Bij mij ging het anders. Ik had vanaf het begin mijn eigen vragen en intuïties, en dat maakte het lastig, want ik kende de academische wereld nog niet goed en wist niet goed hoe je je daarin moest bewegen. Het zag er een tijd zelfs naar uit dat mijn wetenschappelijke loopbaan zou mislukken. Gelukkig kwam ik iemand tegen die mij op weg hielp. Maar mijn pad is altijd afwijkend gebleven.
Overigens heb ik ook bewust een tijdlang buiten de universiteit gewerkt om praktijkervaring op te doen. Zo heb ik een jaar bij het Centraal Bureau voor de Statistiek gewerkt en acht jaar in een ziekenhuis, waar ik me bezighield met medische besliskunde. Dat vond ik belangrijk omdat ik mijn werk niet alleen vanuit een ivoren toren wilde doen.
Wat is het verschil tussen klassieke economie en gedragseconomie?
In de klassieke economie wordt vaak aangenomen dat mensen zich als rationele rekenmachines gedragen: ze kiezen eenvoudigweg de optie die hun het meeste voordeel oplevert. Psychologische factoren spelen daarin nauwelijks een rol. Gedragseconomie neemt juist die psychologische inzichten wél serieus. Mensen handelen niet altijd consistent of rationeel; emoties, intuïties en misverstanden beïnvloeden hun keuzes.
Wat mij vooral aanspreekt in de gedragseconomie is dat zij de rationele principes uit de klassieke economie niet loslaat, maar ze als uitgangspunt neemt en vervolgens onderzoekt waar mensen daarvan afwijken. Juist in dat verschil kun je zien hoe menselijke besluitvorming verbeterd kan worden.
Wat is besliskunde precies?
In mijn vakgebied gaat het vooral om situaties waarin mensen moeten kiezen en waarin niet alleen objectieve factoren een rol spelen, maar ook subjectieve. Neem de keuze tussen twee huizen. Dan kijk je naar prijs en ligging, maar ook naar minder grijpbare dingen: vind ik het een mooi huis, voel ik me hier prettig? Besliskunde ontwikkelt methoden om grip te krijgen op zulke subjectieve overwegingen.
Kan dat echt: gevoelens en voorkeuren in getallen uitdrukken?
Ja, het klinkt wonderlijk, maar het kan vaak heel goed, vooral door een geniaal idee van de Italiaan Bruno de Finetti uit de jaren dertig. Er zijn methoden om zulke afwegingen systematisch te maken.
Een belangrijk thema in uw werk is het onderscheid tussen risico en ambiguïteit.
In de economie spreken we van risico als kansen bekend zijn, en van ambiguïteit als de kansen onduidelijk of omstreden zijn. In de praktijk hebben we vaak met die tweede situatie te maken. Bij klimaatverandering bijvoorbeeld verschillen experts vaak sterk van mening over de precieze kansen op bepaalde scenario’s. Mensen zijn vaak al te bang voor risico’s, maar als kansen dan ook nog onzeker zijn, wordt dat effect nog sterker: ambiguïteit werkt verlammend.
Bij klimaatbeleid is dat bijvoorbeeld heel duidelijk. Als je nú maatregelen neemt, verklein je de kans op ernstige schade in de toekomst. Je neemt de onzekerheid niet weg, maar verkleint wel het risico. Veel mensen begrijpen niet goed wat zulke kansreducties betekenen omdat ze kansen niet goed begrijpen. Als de kans op een ramp van 40 naar 5 procent daalt, is dat in werkelijkheid heel belangrijk. Maar veel mensen ervaren dat alleen maar als: er kan nog steeds iets misgaan. Doordat mensen kansen niet goed aanvoelen, doen ze te weinig aan voorzorgsmaatregelen.
Kunt u voorbeelden geven waar besliskunde toegepast wordt?
Neem onze pensioenen. In Nederland hebben we enorme pensioenvermogens die belegd worden om later pensioenen uit te keren. Dan is het belangrijk dat dat verstandig gebeurt. Maar de gemiddelde Nederlander is te bang voor risico. Op de lange termijn is het vaak verstandig om een aanzienlijk deel van dat geld in aandelen te beleggen. Toch ontstaat er veel onrust zodra aandelen tijdelijk dalen. Dat soort reacties is emotioneel begrijpelijk, maar onverstandig. Daardoor worden pensioenfondsen te zeer beperkt in wat zij als verstandig beleid zouden moeten doen. Uiteindelijk kost die onredelijke angst voor risico en korte-termijnverliezen het hele Nederlandse volk veel geld.
Een ander voorbeeld is verzekeren. Ook daar zie je dat mensen vaak te bang zijn voor risico en zich daarom tegen te veel dingen verzekeren, zeker in Nederland, waar sprake is van grote oververzekering. Als gedragseconoom probeer ik mensen te overtuigen om alleen belangrijke dingen te verzekeren. Ik schat dat Nederlanders gemiddeld 0,5 procent inkomen verliezen omdat ze oververzekerd zijn.
In ziekenhuizen staat de besliskunde nog meer centraal dan in de economie. Stel dat een patiënt een behandeling nodig heeft met een kans van één op de miljoen op een ernstige bijwerking. Veel mensen schrikken dan en zien van de behandeling af, hoewel hij eigenlijk nodig is. Dat komt doordat mensen niet goed aanvoelen hoe klein één op de miljoen werkelijk is en het in hun beleving voelt als, zeg, één op de 500. Hetzelfde zie je bij loterijen, waar mensen extreem kleine kansen op winst ook sterk overschatten en daardoor (te) veel aan loterijen meedoen.
Speelt onzekerheid tegenwoordig een grotere rol dan vroeger?
Dat wordt vaak gezegd, maar ik denk niet dat risico’s nu per se groter zijn dan vroeger. Mensen hebben in alle tijden met onzekerheid geleefd. Wel is onze kennis geavanceerder geworden. De gedragseconomie is eigenlijk pas sinds ongeveer 1980 echt opgekomen. Het kost tijd voordat zulke inzichten breed doordringen. In die zin is er nu meer aandacht en begrip voor onzekerheid.
Heeft u het vakgebied de afgelopen veertig jaar zien veranderen?
Er was al vroeg aandacht voor psychologische factoren in de economie. Zo wees Nobelprijswinnaar John Maynard Keynes er in het begin van de twintigste eeuw al op dat emoties en verwachtingen een belangrijke rol spelen in economisch gedrag. Lange tijd dacht men echter dat zulke factoren niet systematisch te modelleren waren.
Rond 1980 kwam daar verandering in, vooral door het baanbrekende werk van de psychologen Daniel Kahneman en Amos Tversky. Zij lieten zien dat psychologische inzichten wel degelijk in formele modellen te verwerken zijn. Daarmee gaven zij een beslissende impuls aan wat we nu gedragseconomie noemen.
Mijn eigen loopbaan viel min of meer samen met die ontwikkeling. In de jaren daarna heb ik geprobeerd bij te dragen aan de verdere verspreiding van het vakgebied, onder meer door onderzoek en het opleiden van studenten. Inmiddels is gedragseconomie in Nederland duidelijk sterker verankerd. Nederland speelt internationaal een vooraanstaande rol in dit vakgebied.
Hoe werkt u zelf: theoretisch of empirisch?
Allebei. Mijn hoofdwerk is altijd theoretisch geweest: wiskundige artikelen waarin ik nieuwe inzichten formuleer. Daar ligt mijn grootste kracht. Maar ik heb ook voldoende empirisch werk gedaan om te begrijpen hoe mensen zich werkelijk gedragen en om experimenten op te zetten. In mijn vakgebied versterken theorie en empirie elkaar.
Is interdisciplinariteit daarbij belangrijk?
Ja, al is dat woord soms ook een modewoord. In mijn vakgebied is het eigenlijk vanzelfsprekend. Gedragseconomie is vanaf het begin een vermenging van economie en psychologie. Maar ook filosofie speelt een rol, omdat je al snel op ethische vragen stuit. Daarnaast speelt wiskunde ook een centrale rol.
Werkt u vaak samen in een team?
Het meeste onderzoek gebeurt in teamverband. Vrijwel al mijn artikelen schrijf ik samen met anderen. Dat is ook waardevol, want je leert van elkaar en krijgt meer inzichten dan wanneer je alleen werkt. Het belangrijkste is dat het onderzoek, profiterend van veel inzichten, er beter van wordt.
U gold jarenlang als een van de productiefste economen van Nederland. Hoe bent u zo productief geworden?
Ik werk hard, dat zeker. Talent? Daar word je mee geboren, daar moet je dankbaar voor zijn. Het speelt ook een rol dat ik mijn ontwikkeling altijd heel bewust heb aangepakt. Ik vergelijk het weleens met een topsporter of een topmuzikant: die blijven ook voortdurend trainen en zichzelf verbeteren. Al vroeg wist ik dat risico en onzekerheid mijn specialisme zouden worden. Ik heb er mijn leven lang systematisch aan gewerkt om daarin steeds beter te worden.
Hoe kijkt u daarop terug?
Ik maak weleens de grap dat je aan mijn publicatielijst kunt zien hoe eenzaam ik ben geweest. Als je je zo intensief aan onderzoek wijdt, moet je nu eenmaal ook dingen laten. Vroeger dacht ik bijvoorbeeld dat het mooi zou zijn om een jaar lang een wereldreis te maken, maar uiteindelijk heb ik dat niet gedaan. Zo’n onderbreking paste niet bij de manier waarop ik wilde werken.
Tot mijn vierentwintigste las ik heel breed: psychologie, archeologie, romans – van alles. Daarna heb ik vrij bewust besloten om me op mijn vak te concentreren. Ik wilde daarnaast wel hobby’s houden, maar dan juist hobby’s die heel anders waren dan mijn werk. Ik schaakte bijvoorbeeld graag, maar dat leek te veel op wiskunde, dus daar ben ik mee gestopt. Toen ik dat besluit genomen had was mijn eerste nieuwe hobby volksdansen – iets volkomen anders.
Denkt u dat u die dingen later nog gaat inhalen, bijvoorbeeld na uw emeritaat?
Neen. Ik zal zo lang mijn gezondheid het toelaat blijven werken, al zal dat geleidelijk minder worden. Ik heb nog veel ideeën die ik graag wil uitwerken en overbrengen, eigenlijk meer dan in één mensenleven past. Dat motiveert mij om door te blijven gaan zolang het kan. Ik zie mijn loopbaan dan ook niet als iets dat op een bepaald moment abrupt stopt, maar eerder als iets dat langzaam afneemt. Misschien komt er een moment waarop ik alleen nog tevreden uit het raam naar de wolken kan kijken. Dan zal ik daar vrede mee hebben.
Wat wilt u jonge onderzoekers meegeven?
Vooral dat intrinsieke motivatie onmisbaar is. Wetenschap is creatief werk. Je kunt het niet goed doen als je het niet echt leuk vindt. Pas als je er vanzelf mee bezig blijft, ook buiten werktijd, kun je er echt goed in worden.
Als u vooruitkijkt: welke vragen over risico en onzekerheid verdienen de komende decennia volgens u de meeste aandacht?
Wat mij bijzonder interesseert, is de vraag hoe je inzichten uit rationele modellen en uit empirische afwijkingen kunt gebruiken om gedrag te verbeteren. Juist in die afwijkingen zie je waar mensen systematisch minder goede beslissingen nemen. Daar is nog relatief weinig onderzoek naar gedaan, vooral omdat het complex is. Ook ligt het ethisch gevoelig (mag je paternalistisch zijn?).
Tegelijkertijd ontstaan daar nu nieuwe mogelijkheden, dankzij artificial intelligence. We kunnen menselijk gedrag tegenwoordig ondanks de complexiteit veel nauwkeuriger analyseren dan vroeger. Daar ligt een belangrijke ontwikkeling.
Ook hoop ik dat we mensen beter kunnen laten begrijpen dat sommige risico’s juist wél genomen moeten worden. Als we in Nederland beter zouden begrijpen hoe je verstandig met risico omgaat, zou dat de samenleving veel kunnen opleveren, bijvoorbeeld veel betere pensioenen.
donderdag, april 2, 2026 | Headlines
Onlangs vond het Walking Dinner voor nieuwe leden van de KHMW plaats. In 2026 zijn er maar liefst 31 maatschappelijke leden, 28 wetenschappelijke leden en 5 buitenlandse leden toegetreden. Een groot aantal van hen kwam op maandag 30 maart naar het Hodshonhuis om kennis te maken met het bestuur, het gebouw - en elkaar.
Op deze pagina vindt u een kleine fotoreportage. Op onze Smugmug-pagina (klik hier) vindt u nog veel meer foto's van deze geanimeerde avond.
Foto's: Marlise Steeman.
De inloop
De borrel
De toespraken
Dé groepsfoto 2026

Het diner