Dirk Jacob Veegens Prijs

Dirk Jacob Veegens Prijs

De tweejaarlijkse Dirk Jacob Veegens Prijs is ingesteld door de Stichting Fonds voor de Geld- en Effectenhandel en wordt verleend ter bekroning van oorspronkelijk onderzoek op het gebied van economische, politieke en/of sociale geschiedenis van Nederland, en is bedoeld als aanmoedigingsprijs voor onderzoekers wier onderzoeksresultaten in het jaar van toekenning niet langer dan twee jaar tevoren zijn gepubliceerd. In het bijzonder komt voor bekroning dat onderzoek in aanmerking dat vanuit een historisch perspectief bijdraagt tot een dieper inzicht in ontwikkelingen die voor Nederland in de huidige tijd relevant zijn. De prijs wordt in zijn geheel toegekend voor onderzoek dat door één of meerdere personen is uitgevoerd. De prijs wordt toegekend aan Nederlanders of ook aan anderen, voor zover het te bekronen onderzoek binnen het kader van een Nederlandse instelling van onderwijs en/of onderzoek verricht is. De Dirk Jacob Veegens Prijs wordt toegekend door de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen na verkregen advies van een door de Maatschappij daartoe te benoemen Commissie.

De prijs is genoemd naar de Haagse advocaat Veegens (1899-1984), voorzitter van de Nederlandse Advocaten-Vereeniging, de voorloper van de Nederlandse Orde van Advocaten. De prijs wordt, in de geest van Veegens, uitgereikt aan onderzoek dat vanuit historisch perspectief bijdraagt aan een dieper inzicht in ontwikkelingen die voor Nederland in de huidige tijd relevant zijn.

 

D.J. Veegens Prijs 2026 - Economische, politieke en/of sociale geschiedenis van Nederland

Inschrijving gesloten

De prijs is bedoeld als aanmoedigingsprijs voor onderzoekers wier onderzoeksresultaten in het jaar van toekenning niet langer dan twee jaar tevoren zijn gepubliceerd. De prijs wordt toegekend aan Nederlanders of ook aan anderen, voor zover het te bekronen onderzoek binnen het kader van een Nederlandse instelling van onderwijs en/of onderzoek verricht is.

Voordrachten kunnen tot en met 15 januari 2026 worden ingediend, uitsluitend via het formulier meteen hieronder.

Wilt u een voordracht indienen, lees dan eerst de circulaire meteen hieronder.

Hebt u vragen, dan kunt u contact opnemen met het secretariaat via prijzen@khmw.nl.

Eerdere winnaars (nieuwe opzet)

2024 Dr. D.R. (David) de Boer 

2022 Dr. L.B. (Lauren) Lauret

2020 Dr. A.C. (Carla) Hoetink

2018 Dr. A.F. (Anne) Petterson

2016 Dr. J. Oddens

2014 Dr. P. Brandon

2012 Dr. L. Petram

2010 Dr. L.J. van Middelaar

2008 Dr. J.P. den Hertog

2006 Mr. W.J. Veraart

2004 Dr. M.J.M. Hoogenboom

2002 Dr. D. Bos

2000 Dr. R.A.M. Aerts

1998 Dr. R. Raben

1996 Dr. L.A.C.J. Lucassen

1994 Dr. H. te Velde









Eerdere winnaars (oude opzet)

1991 Drs. J.H. de Wilde

1990 Drs. H. Klemann

1989 Drs. B. Altena

1988 Drs. H. Henrichs

1987 Drs. E.G.E. van der Wall

1986 Drs. P. den Boer

1985 Drs. C.A. Davids

1984 Drs. J.W. Buisman

1983 Drs. J. Lucassen

1982 Drs. K. van Berkel

Michiel Bron: ‘Oliebedrijven zagen zichzelf al vroeg als energiebedrijven’

Michiel Bron: ‘Oliebedrijven zagen zichzelf al vroeg als energiebedrijven’

Wat hebben oliebedrijven en kernenergie met elkaar te maken? Meer dan vaak wordt gedacht, stelt historicus Michiel Bron. In zijn proefschrift The Petro-atom. A century of ubiquitous oil involvement in nuclear energy, 1895-1993 laat hij zien dat oliebedrijven gedurende vrijwel de hele twintigste eeuw nauw betrokken waren bij de ontwikkeling van kernenergie. Zijn onderzoek is bekroond met de D.J. Veegens Prijs 2026.

“Er is tegenwoordig veel aandacht voor de vraag wat oliebedrijven wisten over klimaatverandering en wanneer,” zegt Bron. “Naast oliewinning waren deze bedrijven ook op grote schaal betrokken bij de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen. Dat gold voor zonne-energie en geothermie, maar ook voor kernenergie. Ik wilde begrijpen waarom oliebedrijven daarin investeerden, waarom ze er later deels weer uitstapten en welke discussies hierover gevoerd werden. Het bleek dat niet alleen milieuoverwegingen een rol speelden, maar ook allerlei bedrijfstechnische aspecten.”

Michiel Bron | Foto: Leoniek van der Vliet


Olie zoeken met behulp van radioactiviteit
Brons verhaal begint, verrassend genoeg, in het Limburgse Baarlo. Daar werden in 1906 proefboringen gedaan op zoek naar fossiele brandstoffen. Er werd een beetje olie gevonden, maar ook steenkool en radioactieve mineralen. Wetenschappers begonnen in te zien dat radioactiviteit vaak voorkwam op plekken waar ook fossiele brandstoffen aanwezig waren. “Die correlatie werd op meerdere plekken in de wereld ontdekt,” vertelt Bron. “Onderzoekers gingen vervolgens instrumenten ontwikkelen waarmee radioactiviteit in boorputten gemeten kon worden. Daarmee konden oliebedrijven beter bepalen waar olie te vinden was.”
De olie-industrie bouwde daardoor al vroeg veel kennis op over radioactiviteit en de technieken om radioactieve mineralen op te sporen. Dat bleek later van grote waarde voor de ontwikkeling van kernenergie. “Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog de vraag naar uranium enorm toenam, zat veel van de benodigde expertise juist in de olie-industrie.”Volgens Bron werd de verwevenheid tussen beide sectoren lange tijd onderschat. “In het publieke debat worden olie en kernenergie vaak als tegenpolen gezien. Maar historisch klopt dat beeld niet. Kernenergie maakte juist gebruik van veel bestaande kennis, technologie en infrastructuur uit de fossiele industrie.”
Dat gold bijvoorbeeld voor de winning en verwerking van uranium. “Veel technieken om uranium op te sporen sloten aan bij kennis uit de olie-industrie. Ook de chemische verwerking van uranium vroeg om expertise waar petrochemische bedrijven sterk in waren.”
Daarnaast professionaliseerde de olie-industrie in de jaren twintig en dertig in hoog tempo. Bedrijven werden groter, richtten eigen onderzoeksafdelingen op en namen steeds vaker universitair geschoold personeel aan. Bron: “Daardoor kwam ook veel kennis binnen over de vroege ontwikkelingen in de kwantummechanica en radioactiviteit. Veel geofysici die toen werden opgeleid, waren sterk geïnteresseerd in die nieuwe theorieën en gingen vervolgens technieken ontwikkelen om olie op te sporen.
Sommige onderdelen daarvan waren al eerder beschreven, maar wat ik echt nieuw vond, was hoe specifiek die kennis over kwantummechanica binnen de olie-industrie werd toegepast, op welke schaal dat gebeurde en hoe uitgebreid de netwerken waren waarin wetenschappers tussen universiteiten en oliebedrijven kennis uitwisselden.”
Die expertise speelde later ook een grote rol binnen het Manhattan Project, het geheime onderzoeksprogramma dat tijdens de Tweede Wereldoorlog leidde tot de ontwikkeling van de atoombom. “Het beeld dat veel mensen van het Manhattan Project hebben, is dat van een klein groepje briljante natuurkundigen, zoals het voorgesteld wordt in een film als Oppenheimer,” zegt Bron. “Maar het was ook een gigantisch industrieel project, met veel verschillende locaties in de Verenigde Staten, Canada en andere landen, waarbij talloze bedrijven betrokken waren. Olie- en petrochemische bedrijven hielpen onder meer bij het zoeken naar uranium, de productie van zwaar water en de ontwikkeling van speciale smeermiddelen en technieken voor uraniumverrijking.”
Na de oorlog groeide kernenergie uit tot een symbool van technologische vooruitgang. Vooral in de jaren vijftig en zestig geloofden veel wetenschappers, ingenieurs en beleidsmakers dat kernenergie de energiebron van de toekomst zou worden. Dat enthousiasme leefde ook sterk binnen de olie-industrie. “Voor jonge natuurkundigen en ingenieurs was de nucleaire sector enorm aantrekkelijk,” vertelt Bron. “Binnen oliebedrijven werd zelfs geklaagd dat studenten liever nucleaire natuurkunde wilden studeren en geen petroleumingenieur meer wilden worden.” Oliebedrijven probeerden talent binnenboord te houden door zelf meer te investeren in nucleair onderzoek en wetenschappers hogere managementfuncties aan te bieden. In dezelfde periode ontstond ook het idee dat oliebedrijven zich moesten ontwikkelen tot bredere energiebedrijven.

Gevaarlijk werk
Een belangrijke rol daarin speelde de geofysicus M. King Hubbert, bekend van de theorie van “peak oil”: het idee dat de olieproductie op een bepaald moment een maximum bereikt en daarna afneemt. “Wat vaak vergeten wordt,” zegt Bron, “is dat zijn beroemde artikel eigenlijk Nuclear Energy and the Fossil Fuels heette. Voor Hubbert was kernenergie het logische vervolg op fossiele brandstoffen.”
Dat idee kreeg extra gewicht in de jaren zeventig, toen de oliecrises de kwetsbaarheid van de mondiale olievoorziening zichtbaar maakten. Oliebedrijven investeerden toen op grote schaal in alternatieve energiebronnen, waaronder kernenergie. “Voor de nucleaire sector waren die investeringen enorm belangrijk,” zegt Bron. “Oliebedrijven behoorden tot de grootste investeerders in reactorontwikkeling, uraniumverrijking en andere delen van de nucleaire keten.”
Toch hadden die investeringen ook een schaduwzijde. Vooral middelgrote oliebedrijven stortten zich vanaf de jaren vijftig op de uraniumwinning, met name in het midden van de Verenigde Staten, maar ook in Frankrijk, Franse koloniën en landen in Midden-Amerika. “Die bedrijven hadden minder toegang tot goedkope olie uit het Midden-Oosten en zochten daarom naar nieuwe markten,” legt Bron uit. “Maar het waren geen mijnbouwbedrijven. Ze namen werkwijzen uit de olie-industrie mee naar de uraniumwinning, vaak met grote gevolgen voor mens en milieu.”
Vooral inheemse gemeenschappen werden actief geworven om in de uraniummijnen te werken. Veel mijnwerkers kwamen terecht in slecht geventileerde, slecht verlichte en gebrekkig gestutte mijnen, waar zij langdurig werden blootgesteld aan radioactief materiaal. De gevolgen bleken groot. In latere decennia werd uit medisch onderzoek duidelijk dat onder voormalige mijnwerkers en omwonenden het aantal gevallen van onder meer kanker en andere gezondheidsproblemen sterk was toegenomen.
In de archieven vond Bron aanwijzingen dat oliebedrijven actief lobbyden om uraniumwinning buiten de strengere nucleaire regelgeving te houden. “Ze wilden uraniumwinning liever presenteren als gewone mijnbouw, zodat minder zware veiligheidseisen golden.”

De macht van de aandeelhouders
Opvallend genoeg waren maatschappelijke protesten tegen kernenergie volgens Bron niet de belangrijkste reden waarom oliebedrijven zich in de jaren tachtig weer uit de nucleaire sector terugtrokken. “In de jaren zeventig waren die protesten er ook al, terwijl er toen juist enorm werd geïnvesteerd in kernenergie. Oliebedrijven presenteerden zichzelf toen als bedrijven die werkten aan een schonere en duurzamere toekomst.”
De echte omslag kwam volgens hem vooral door economische en bestuurlijke veranderingen. Het was de tijd van president Reagan in de Verenigde Staten en premier Thatcher in Groot-Brittannië. Dalende olieprijzen, de groeiende macht van aandeelhouders en de opkomst van een nieuwe generatie managers zorgden ervoor dat langetermijninvesteringen minder aantrekkelijk werden. “De generatie geofysici en ingenieurs die sterk geloofde in nieuwe technologieën ging met pensioen. Daarvoor in de plaats kwamen managers met een achtergrond in economie en financiën, die veel sterker gericht waren op kortetermijnrendement.”
Dat inzicht zegt volgens Bron iets fundamenteels over de manier waarop grote energiebedrijven functioneren. “We hebben de neiging om bedrijven als Shell of Exxon te zien als één monolithisch geheel. Maar in werkelijkheid zijn het complexe organisaties waarin een voortdurende machtsstrijd plaatsvindt tussen verschillende afdelingen, generaties en ideeën over de toekomst.”

Toegang tot archieven
Voor zijn onderzoek maakte Bron gebruik van een grote verscheidenheid aan bronnen: van bedrijfsarchieven en persoonlijke collecties van wetenschappers tot de gesteentecollecties in Naturalis. Het archiefonderzoek was niet altijd eenvoudig. “Sommige oliebedrijven geven onderzoekers nauwelijks toegang. Bij Shell is dat na de Klimaat-rechtszaak nog strenger geworden.” Daarom zocht hij ook andere wegen. Zo verdiepte hij zich in oliebedrijven die later zijn overgenomen of failliet gegaan. “Zo was Gulf Oil ooit een van de grootste oliebedrijven ter wereld, totdat het werd overgenomen door Chevron. De archieven van Gulf Oil kwamen uiteindelijk terecht in een particulier archief in Pittsburgh. Daar zijn we uitgebreid ingedoken. Honderden dozen zonder duidelijke beschrijving van de inhoud. Juist daardoor kwamen we soms onverwacht interessant materiaal tegen, onder meer notulen en bestuursstukken die inzicht gaven in de discussies en besluitvorming binnen het bedrijf.”
Ook persoonlijke archieven van wetenschappers bleken waardevol. Zo werkte Nobelprijswinnaar Hans Bethe, een belangrijke figuur binnen het Manhattan Project, later als consultant voor Exxon bij nucleaire projecten. “Via zulke persoonlijke collecties krijg je soms toegang tot discussies die bedrijven zelf liever verborgen houden.”

Energietransitie
Volgens Bron is zijn onderzoek ook relevant voor het huidige debat over de energietransitie. Oliebedrijven investeren vandaag opnieuw in kernenergie en andere alternatieve energiebronnen. Dat klinkt goed, maar Bron waarschuwt dat de energietransitie daarmee nog geen fait accompli is.
“De geschiedenis laat ook zien dat zulke investeringen niet vanzelf blijvend zijn. Zoals ook in mijn onderzoek zichtbaar wordt, kunnen bedrijven hun strategie snel aanpassen als marktomstandigheden veranderen of aandeelhouders andere prioriteiten stellen.”
Toch is hij hoopvol. Want inmiddels werkt Bron als postdoc aan Tilburg University binnen het onderzoeksconsortium MODES en de academische werkplaats Klimaat en Energie, waarin onderzoekers samen met overheden, netbeheerders, bedrijven en energiecoöperaties nadenken over de inrichting van het Nederlandse energiesysteem van de toekomst. Anders dan in zijn promotieonderzoek kijkt hij daar niet alleen terug, maar juist vooruit.
Bron merkt dat er binnen MODES goed naar de wetenschap geluisterd wordt. “Het idee is echt dat we het onderzoek samen doen,” zegt hij. “We denken gezamenlijk na over waar we over een aantal jaar willen staan. Juist die samenwerking tussen universiteiten, overheden, bedrijven en maatschappelijke partners vind ik belangrijk. Daar geloof ik wel in.”

 

Veegens Prijs voor Joris Oddens

Veegens Prijs voor Joris Oddens

Op 27 september werd door Mr. J. P. (Jan Peter) Weitenberg voorzitter van de St. Fonds voor de Geld- en Effectenhandel voorzitter van de St. Fonds voor de Geld- en Effectenhandel aan Dr. J. (Joris) Oddens de Dirk Jacob Veegens 2016 uitgereikt ter bekroning van zijn proefschrift Pioniers in schaduwbeeld. Het eerste parlement van Nederland1796-1798.
De jurybestaande uit Prof. dr. P. Kooij († augustus 2016)Prof. dr. M.P.C. van der Heijden en Prof. dr. H. te Veldenoemde de verschijning van Pioniers in schaduwbeeld een rehabilitatie - voor het eerst in tweehonderd jaar verscheen er een substantiële studie over de Nationale Vergadering in de cruciale jaren van 1796 tot 1798 - en pionierswerk in de beeldvorming over dit parlement. U kunt het volledig juryrapport hieronder inzien.
De Stichting Fonds voor de Geld- en Effectenhandel stelt de Veegens Prijs van € 12.500- tweejaarlijks beschikbaar ter bekroning van oorspronkelijk onderzoek op het gebied van de economische politieke en/of sociale geschiedenis van Nederland. De prijs is bedoeld als aanmoedigingsprijs voor onderzoekers wier onderzoeksresultaten in het jaar van toekenning niet langer dan vijf jaar tevoren zijn gepubliceerd. In het bijzonder komt voor bekroning dat onderzoek in aanmerking dat vanuit een historisch perspectief bijdraagt tot een dieper inzicht in ontwikkelingen die voor Nederland in de huidige tijd relevant zijn. Voor eerdere winnaars zie: https://khmw.nl/prijzen/prijs/dirk-jacob-veegens-prijs/3

Veegens Prijs 2014 voor Pepijn Brandon

Veegens Prijs 2014 voor Pepijn Brandon

Brandon ontving de prijs voor zijn dissertatie Masters of War. State capital and military enterprise in the Dutch cycle of accumulation (1600-1795)UvA januari 2013.
De prijs werd uitgereikt op dinsdagmiddag 3 juni in het Hodshon Huis door Mr. P.A. Wackie EystenDe prijs werd uitgereikt op dinsdagmiddag 3 juni in het Hodshon Huis door Mr. P.A. Wackie Eystenvoorzitter van de Stichting Fonds voor de Geld- en Effectenhandel.
De laudatio werd uitgesproken door jurylid Mevrouw Prof. dr. J.S. Pollmannhoogleraar vroegmoderne Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden: Alszoals Tilly zeioorlog de staat maakten de staat de oorloghoe kan het dan dat de Republiek der Verenigde Nederlanden bijna twee eeuwen lang zoveel en met zoveel succes oorlog voerdezonder dat de staat er sterker van werd? Pepijn Brandon zocht een nieuwe verklaring voor het raadsel van de Republieken vindt deze in de verstrengeling van de oorlogvoering met de belangen van de handelselite in de Republiek. Lees meer in onderstaand juryrapport.
Van de dissertatie verschijnt later dit jaar een handelseditie bij uitgeverij Brill en tevens een paperback editie bij de Amerikaanse uitgeverij Haymarket.
De Stichting Fonds voor de Geld- en Effectenhandel stelt elke twee jaar de Dirk Jacob Veegens Prijs van € 12.500- beschik­baar ter bekroning van oorspronkelijk promotieonderzoek op het gebied van de economischepolitieke en/of sociale geschiedenis van Nederland. In het bijzonder komt voor bekroning dat onderzoek in aanmerking dat vanuit een historisch perspectief bijdraagt tot een dieper inzicht in ontwikkelingen die voor Nederland in de huidige tijd relevant zijn.
politieke en/of sociale geschiedenis van Nederland. In het bijzonder komt voor bekroning dat onderzoek in aanmerking dat vanuit een historisch perspectief bijdraagt tot een dieper inzicht in ontwikkelingen die voor Nederland in de huidige tijd relevant zijn.

Veegens Prijs voor Joris Oddens

Veegens Prijs voor Joris Oddens

Op 27 september werd door Mr. J. P. (Jan Peter) Weitenberg, voorzitter van de St. Fonds voor de Geld- en Effectenhandel, aan Dr. J. (Joris) Oddens de Dirk Jacob Veegens 2016 uitgereikt ter bekroning van zijn proefschrift Pioniers in schaduwbeeld. Het eerste parlement van Nederland, 1796-1798.

De jury, bestaande uit Prof. dr. P. Kooij († augustus 2016), Prof. dr. M.P.C. van der Heijden en Prof. dr. H. te Velde, noemde de verschijning van Pioniers in schaduwbeeld een rehabilitatie - voor het eerst in tweehonderd jaar verscheen er een substantiële studie over de Nationale Vergadering in de cruciale jaren van 1796 tot 1798 - en pionierswerk in de beeldvorming over dit parlement. U kunt het volledig juryrapport hieronder inzien.

De Stichting Fonds voor de Geld- en Effectenhandel stelt de Veegens Prijs van € 12.500,- tweejaarlijks beschikbaar ter bekroning van oorspronkelijk onderzoek op het gebied van de economische politieke en/of sociale geschiedenis van Nederland. De prijs is bedoeld als aanmoedigingsprijs voor onderzoekers wier onderzoeksresultaten in het jaar van toekenning niet langer dan vijf jaar tevoren zijn gepubliceerd. In het bijzonder komt voor bekroning dat onderzoek in aanmerking dat vanuit een historisch perspectief bijdraagt tot een dieper inzicht in ontwikkelingen die voor Nederland in de huidige tijd relevant zijn.