donderdag, april 2, 2026 | Headlines
De KHMW kent de Langerhuizen Oeuvreprijs 2026 toe aan professor Joost-Pieter Katoen en de Langerhuizen Bate 2026 aan Ayushi Rastogi. In hun onderzoek richten zij zich op twee urgente vragen rond kunstmatige intelligentie: hoe houden we software betrouwbaar, en hoe zorgen we dat AI inclusief blijft?
Joost-Pieter Katoen ontvangt KHMW Langerhuizen Oeuvreprijs 2026

Joost-Pieter Katoen | Foto: Foto Agentur Ruhr
De KHMW Langerhuizen Oeuvreprijs 2026 is toegekend aan prof. dr. Ir. dr. h.c. Joost-Pieter Katoen (EngD), hoogleraar Informatica met specialisatie Softwaremodellering en -verificatie aan de Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule Aachen en deeltijdhoogleraar Formele Methoden en Tools aan de Universiteit Twente.
Professor Katoen is een zeer succesvol wetenschapper die actief is in onderzoek en onderwijs op het gebied van formele verificatie en probabilistisch programmeren. Met wiskundige precisie ontwikkelt hij tool ondersteunde technieken om de betrouwbaarheid van complexe geautomatiseerde systemen te analyseren en te verbeteren. Hij geniet brede internationale erkenning voor zijn fundamentele bijdragen aan deze vakgebieden, wat niet alleen blijkt uit het grote aantal citaties van zijn werk, maar ook uit een eredoctoraat van de Universiteit van Aalborg, onderscheidingen, lidmaatschappen van verschillende wetenschappelijke academies en uitnodigingen als keynote speaker op de belangrijkste conferenties binnen het vakgebied.
Naast zijn sterke academische bijdragen heeft hij ook succesvol samengewerkt met diverse industriële partners, zoals Ford, BMW, Siemens en de European Space Agency (ESA). Deze samenwerkingen hebben geleid tot de ontwikkeling van tools die inmiddels in de dagelijkse praktijk van deze organisaties worden gebruikt. Professor Katoen heeft zich bovendien steeds ingezet voor de versterking van de wetenschappelijke gemeenschap, onder meer door deelname aan talrijke commissies en in het bijzonder door zijn voorzitterschap van de stuurgroep van ETAPS (een van de belangrijkste conferenties op het gebied van formele methoden). In die rol speelde hij een belangrijke rol bij de invoering van een gold open access-publicatiebeleid voor ETAPS, een model dat inmiddels door meerdere andere conferenties is overgenomen. Hij is lid van het college van bestuur van de RWTH Aachen.
De technieken die Katoen en zijn onderzoeksgroep ontwikkelen maken het mogelijk fouten in software op te sporen voordat die ernstige of zelfs catastrofale gevolgen kunnen hebben. Zulke verificatiemethoden zijn essentieel voor toepassingen waarin betrouwbaarheid cruciaal is, zoals in satellieten, spoorwegsystemen, autonome voertuigen en waterkeringen.
De snelle opkomst van kunstmatige intelligentie onderstreept volgens Katoen het groeiende belang van zijn vakgebied. Steeds vaker wordt software (deels) gegenereerd met behulp van AI-systemen. Juist dan is het noodzakelijk om te kunnen aantonen dat zulke programma’s daadwerkelijk doen wat ze moeten doen en veilig functioneren in kritische toepassingen.
Katoen benadrukt daarnaast het belang van samenwerking binnen onderzoeksteams en met internationale partners. ‘Het succes van onderzoek hangt niet alleen af van wetenschappers, maar van iedereen die eraan bijdraagt. Het is belangrijk om je waardering te laten blijken.’
Joost-Pieter Katoen, winnaar KHMW Langerhuizen Oeuvreprijs 2026: “Laat je waardering blijken”
Katoen ontvangt de KHMW Langerhuizen Oeuvreprijs voor zijn fundamentele en internationaal toonaangevende bijdragen aan stochastische verificatiemethoden voor complexe softwaresystemen, zijn grote invloed op de ontwikkeling van het vakgebied en de brede praktische toepasbaarheid van zijn onderzoek.
De KHMW Langerhuizen Oeuvreprijs wordt sinds 2020 jaarlijks uitgereikt als eerbetoon aan een wetenschapper die zich verdienstelijk heeft gemaakt op het gebied van de natuurwetenschappen. De prijs wordt ieder jaar aan een ander vakgebied toegekend. In 2026 zijn informatica en wiskunde aan de beurt. Aan de KHMW Langerhuizen Oeuvreprijs is een geldbedrag van € 25.000 verbonden.
Ayushi Rastogi ontvangt KHMW Langerhuizen Bate 2026

Ayushi Rastogi | Foto: Bram Saeys
De KHMW Langerhuizen Bate 2026 is toegekend aan dr. Ayushi Rastogi, universitair hoofddocent Informatica en Programmatuurontwikkeling aan de Rijksuniversiteit Groningen, voor een onderzoeksproject over de invloed van kunstmatige intelligentie op het werk van softwareprofessionals met een beperking. Haar onderzoek richt zich op de vraag of AI bestaande ongelijkheden verkleint of juist versterkt. Door grootschalige ontwikkelactiviteiten op platforms als GitHub te analyseren, onderzoekt zij hoe AI-hulpmiddelen de productiviteit, werkwijzen en kansen van deze groep beïnvloeden. De resultaten moeten bijdragen aan beter onderbouwde keuzes bij de ontwikkeling van inclusieve AI-systemen. Zoals Rastogi benadrukt: ‘AI moet kansen creëren voor iedereen, niet alleen voor de meerderheid.’De KHMW Langerhuizen Bate is een onderzoeksstimulus voor wetenschappers op het gebied van de natuurwetenschappen die aan het begin van hun loopbaan staan. De prijs wordt ieder jaar aan een ander vakgebied toegekend. In 2026 zijn informatica en wiskunde aan de beurt. Aan de KHMW Langerhuizen Bate is een geldbedrag van € 25.000 verbonden.
Ayushi Rastogi: “AI moet kansen creëren voor iedereen, niet alleen voor de meerderheid”
KHMW
De KHMW Langerhuizen Oeuvreprijs en de KHMW Langerhuizen Bate worden toegekend door de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen (KHMW). De KHMW, opgericht in 1752, is het oudste wetenschappelijk genootschap van Nederland.
De prijsuitreiking vindt plaats op maandag 29 juni 2026 in het Hodshonhuis, zetel van de KHMW in Haarlem. Op deze dag worden ook de KHMW Van der Aa Oeuvreprijs, de KHMW Proefschriftprijs Maatschappijwetenschappen, de KHMW Keetje Hodshon Proefschriftprijs, de KHMW Martinus van Marum Proefschriftprijs, de KHMW Proefschriftprijs Interdisciplinariteit en de KHMW Treub Bate uitgereikt.
Prijsuitreiking – Van der Aa Oeuvreprijs, Langerhuizen Oeuvreprijs en Bate, Treub Bate, Proefschriftprijs Interdisciplinariteit, Proefschriftprijs Maatschappijwetenschappen, Keetje Hodshon Proefschriftprijs, Martinus van Marum Proefschriftprijs
woensdag, april 1, 2026 | Interviews
De KHMW Langerhuizen Oeuvreprijs 2026 is toegekend aan Joost-Pieter Katoen, hoogleraar Informatica met specialisatie Softwaremodellering en -verificatie aan de Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule (RWTH) in Aken (Duitsland) en daarnaast deeltijd-hoogleraar Informatica op het gebied van Formele Methoden en Tools aan de Universiteit Twente. In zijn onderzoek ontwikkelt hij wiskundige methoden om de betrouwbaarheid van complexe software aan te tonen, van satellieten en treinen tot auto’s en waterkeringen. De laureaat is sinds 2021 wetenschappelijk lid van de KHMW.

Joost-Pieter Katoen | Foto: Foto Agentur Ruhr
Kunt u voor een leek uitleggen waar uw onderzoek over gaat?
Wij ontwikkelen methoden om fouten in software op te sporen voordat die ernstige, en soms zelfs catastrofale, gevolgen kunnen hebben. Denk aan software die satellieten aanstuurt: zo’n satelliet kun je, als hij zich eenmaal in de ruimte bevindt, niet zomaar repareren als er iets misgaat. Daarom is het essentieel dat zulke systemen aantoonbaar correct werken.
Heeft uw onderzoek wel eens geholpen om potentieel gevaarlijke fouten te voorkomen?
Wij vinden regelmatig fouten waarvan je blij bent dat ze op tijd ontdekt worden, dus voordat de software daadwerkelijk in gebruik wordt genomen. Tegenwoordig zit er bijvoorbeeld enorm veel software in auto’s. Als daarin iets misgaat, kan dat serieuze gevolgen hebben, bijvoorbeeld wanneer sensoren verkeerde signalen doorgeven of een stuuractie verkeerd wordt uitgevoerd. Juist daar kunnen formele verificatietechnieken een rol spelen.
Versterkt uw werk ook het vertrouwen in zulke systemen?
Dat denk ik wel. Wij doen fundamenteel onderzoek, maar werken ook samen met organisaties zoals het European Space Agency in Noordwijk. Zij gebruiken onze methoden om hun software nóg betrouwbaarder te maken. Voor autonome voertuigen bestaan inmiddels internationale standaarden die voorschrijven dat zulke verificatiemethoden moeten worden toegepast om de kwaliteit en veiligheid van de software aantoonbaar te garanderen.
Wat spreekt u aan in de combinatie van theorie en praktijk?
Praktische problemen leveren vaak nieuwe fundamentele onderzoeksvragen op. Zo werken wij veel met kansberekeningen: als er een fout kan optreden, hoe groot is dan de kans dat dat gebeurt? Dat vereist een diepe kennis van de waarschijnlijkheidsleer. Concrete problemen uit de praktijk hebben ons gestimuleerd zulke berekeningen op te schalen zodat ze ook voor realistische systemen toepasbaar zijn. Tegelijk willen we onze methoden vertalen naar algoritmen en softwaretools, zodat ingenieurs bij bijvoorbeeld Ford, BMW, ProRail, Électricité de France of ESA ermee kunnen werken zonder specialist te zijn in ons vakgebied.
Werkt u veel interdisciplinair samen?
Zeker. Zonder wiskunde zouden veel technische disciplines niet kunnen functioneren. Wij werken daarnaast veel samen met informatici, mensen uit de elektrotechniek en ingenieurs uit onder meer de auto-, spoor- en ruimtevaartsector. Dat maakt het werk extra interessant.
Kunt u een concreet voorbeeld geven van zo’n toepassing?
Een mooi voorbeeld is de Maeslantkering bij Rotterdam. Die bestaat uit twee enorme armen, elk zo groot als de Eiffeltoren. Ze worden automatisch gesloten bij extreem hoog water. Dat proces wordt volledig door software aangestuurd. Kritische onderdelen van die software zijn met verificatietechnieken die nauw verwant zijn aan de onze doorgerekend. Dat is belangrijk: de kering moet op tijd sluiten, maar ook niet onnodig vaak, want dan is de haven onbereikbaar.
Het is een oeuvreprijs. Wanneer merkte u voor het eerst dat uw werk praktisch toepasbaar was?
Tijdens mijn afstudeerproject bij het Philips Natuurkundig Laboratorium in 1987, en later ben ik daar nog een tijd als wetenschappelijk medewerker teruggekeerd. Daar werkte ik aan concrete problemen waarvoor binnen enkele maanden, dus met de nodige tijdsdruk, oplossingen nodig waren voor productieafdelingen van Philips. Toen werd mij duidelijk hoe belangrijk het is om fundamentele inzichten te koppelen aan praktische toepassingen.
U houdt zich de laatste tijd ook bezig met AI. Wat verandert dat voor uw vakgebied?
Steeds vaker wordt software gegenereerd met AI, met name Large Language Models. Dat maakt het extra belangrijk om te controleren of zulke programma’s daadwerkelijk doen wat ze moeten doen. AI kan immers “hallucineren”; dan komen er antwoorden uit die niet correct zijn. Maar als software die met AI is gegenereerd wordt toegepast in auto’s, treinen of satellieten, moet je kunnen aantonen dat ze betrouwbaar is. Mensen zijn snel geneigd om de uitkomsten van LLM’s blindelings te vertrouwen, en voor bedrijven levert het gebruik van LLM’s een geweldige tijdwinst op. Maar je moet er wel met een zekere voorzichtigheid mee om gaan: zijn die gegenereerde programma’s wel oké? Ik verwacht daarom dat het belang van ons onderzoeksgebied alleen maar zal toenemen.
U staat bekend als een bevlogen docent. Wat wilt u studenten meegeven?
Enthousiasme. Natuurlijk gaat het om kennisoverdracht, maar minstens zo belangrijk is dat studenten begrijpen waarom ze iets leren. Als studenten echt geïnteresseerd raken, ontstaat intrinsieke motivatie, en dan hoef je ze zelf niet meer te stimuleren.
U heeft veel promovendi begeleid. Wat betekent dat voor u?
Het is geweldig om te zien hoe mensen zich in vier of vijf jaar ontwikkelen, niet alleen op wetenschappelijk, maar ook op persoonlijk vlak, en uitgroeien tot zelfstandige onderzoekers. Sommigen kom ik nu tegen als collega. Dat maakt me trots, en het is mooi om daaraan te kunnen bijdragen.
U bent sinds 2024 lid van het college van bestuur van de RWTH Aachen. Waar liggen daar uw belangrijkste uitdagingen?
Ik ben verantwoordelijk voor onderwijs aan een universiteit met ongeveer 44.000 studenten. De grootste uitdaging op dit moment is de impact van AI. AI is, wat mij betreft, op dit moment een van de meest ingrijpende ontwikkelingen in het onderwijs. Studenten gebruiken AI dagelijks, en dat dwingt ons om na te denken over andere onderwijsvormen, richtlijnen, en toetsmethoden.
Wat betekent dat concreet voor het onderwijs?
We zullen waarschijnlijk meer mondelinge toetsing en interactie moeten introduceren, naast schriftelijke opdrachten. Tegelijk moeten studenten wel leren om redeneringen stap voor stap uit te werken, zeker in de wiskunde. Hopelijk leidt dit ertoe dat studenten weer vaker naar college komen. De aanwezigheid van studenten in de collegezaal is na corona nooit meer op het oude peil gekomen. Door tijdens colleges meer interactie en discussie te organiseren hopen we de meerwaarde van hun aanwezigheid weer duidelijker te maken.
Inclusiviteit is een belangrijk thema binnen universiteiten. Hoe kijkt u daar als bestuurder naar?
Inclusiviteit gaat over veel meer dan religie of cultuur. Het gaat ook over toegankelijkheid van gebouwen, over respectvolle omgang in de collegezaal en over bewustwording binnen de organisatie. Met duizenden medewerkers in Aken is dat een grote opgave, maar wel een noodzakelijke.
U bent sinds 2004, dus al meer dan twintig jaar, verbonden aan de RWTH Aachen. Is internationalisering belangrijk voor de wetenschap?
Ik woon nog wel in Nederland, in Maastricht, een schitterende stad. Maar toponderzoek gebeurt per definitie in een internationale context. Je wilt samenwerken met de beste onderzoekers en je resultaten presenteren op toonaangevende internationale conferenties. Ik zeg vaak: we willen Champions League spelen. Dat is het niveau waarop je moet willen opereren.
Speelt financiering ook een rol bij uw keuze om in Duitsland te blijven werken?
Zeker. De Deutsche Forschungsgemeinschaft (DFG), de Duitse tegenhanger van de NWO, biedt de mogelijkheid om langlopende projecten van negen tot twaalf jaar door te voeren. Dat geeft onderzoekers perspectief. In Nederland bestaan zulke mogelijkheden veel minder, terwijl fundamenteel onderzoek juist een lange adem vraagt. Ik vind dat Nederland ook meer zou moeten investeren in langlopende en interdisciplinaire projecten. Daarnaast is het beschikbare budget voor fundamenteel onderzoek in Duitsland significant hoger – zowel in absolute als relatieve zin – dan in Nederland. Dat biedt veel meer mogelijkheden.
U wordt vaak gevraagd als voorzitter van internationale conferenties. Wat is uw kracht als organisator?
Ervaring en overzicht spelen een rol. Wat ik erg belangrijk vind, en dat geldt voor alles, is dat je waardering toont voor de mensen met wie je werkt. Het succes van een project hangt niet alleen af van onderzoekers, maar ook van het ondersteunend personeel. Voor het reilen en zeilen van onze afdeling zijn de secretaresses die daar elke dag aanwezig zijn bijvoorbeeld van eminent belang. Als zij er niet waren, zouden wij onderzoekers niet kunnen doen wat we doen.
De uitreiking van de KHMW Langerhuizen Oeuvreprijs 2026 vindt plaats op maandag 29 juni. Klik hier voor het volledige programma van deze feestelijke dag.
woensdag, maart 18, 2026 | Interviews
De snelle opmars van kunstmatige intelligentie roept vaak vragen op over het automatiseren van losse taken. Maar wat gebeurt er als niet alleen taken verdwijnen, maar hele afdelingen? Die vraag staat centraal in het onderzoek van Corine Boon en Tom van Engers en hun collega’s van de Universiteit van Amsterdam. Met hun voorstel over zogenaamde zero-person departments wonnen zij de eerste Stimulus Mens en Organisatie.

Foto: Andy Kelly, Unsplash
Een zero-person department is een afdeling die niet langer door mensen wordt bemand, maar door autonome software-agents. Deze agents worden aangestuurd door kunstmatige intelligentie en kunnen relatief zelfstandig opereren. Volgens hoogleraar Juridisch Kennismanagement Tom van Engers zullen zulke afdelingen steeds vaker voorkomen. “We zien nu al een toenemende inzet van AI-systemen die binnen bepaalde grenzen zelfstandig taken kunnen uitvoeren.”
Het onderzoeksproject ZODIAC (Zero-person Organisational Departments in Interaction, Accountability and Collaboration) is gericht op de technische, sociale en juridische implicaties van deze ontwikkeling.
Risico’s
De voordelen van zero-person departments liggen voor de hand. “AI-agents kunnen het werk verlichten en processen efficiënter maken. En ze zijn onvermoeibaar,” zegt Van Engers. “Als ze goed functioneren, kunnen ze 24 uur per dag beschikbaar zijn. Het levert ook een aanzienlijke kostenbesparing op.”
Tegelijkertijd wijzen de onderzoekers op verschillende risico’s. Zo kan deze ontwikkeling grote gevolgen hebben voor de relaties in organisaties. “Als je eerst samenwerkte met collega’s en nu met een geautomatiseerde afdeling, verandert dat de dynamiek op de werkvloer,” zegt Corine Boon, hoogleraar HRM & People Analytics aan de Amsterdam Business School. Daarnaast kan de verandering invloed hebben op de manier waarop werknemers hun werk beleven, en daarmee op hun welzijn. Werk kan bijvoorbeeld minder betekenisvol aanvoelen wanneer de rol van medewerkers verschuift van uitvoeren naar controleren.
“Ook veranderen de vaardigheden die je nodig hebt,” zegt Boon. “In plaats van het zelf te doen, moeten medewerkers nu evalueren wat AI-agents doen. De ervaring leert dat het belangrijk is de kwaliteit van het werk goed in de gaten te houden. Dat vraagt andere competenties en vaak ook nieuwe vormen van training.”
Van Engers wijst op een probleem dat al langer bekend is uit onderzoek naar automatisering: kenniserosie. Wanneer mensen bepaalde vaardigheden minder vaak gebruiken, neemt hun expertise geleidelijk af. “We weten uit onderzoek dat mensen eigenlijk heel slecht zijn in puur monitoren,” zegt hij. “Als je taak vooral bestaat uit het in de gaten houden van systemen, neemt de alertheid na verloop van tijd af.”
Tot slot dreigen, wanneer organisaties dit soort AI-gedreven afdelingen invoeren, vooral instapfuncties te verdwijnen. Dat is zorgwekkend, vindt Boon. “Mensen die later op hogere posities werken, hebben die eerste werkervaring wel nodig.”
Van Engers: ‘Er kleven aan de opkomst van zero-person departments allerlei vraagstukken, en die komen nu in volle wasdom op ons af. En de vraag is: gaat dat wel goed?’
Verantwoordelijkheid
Dat zero-person departments grotendeels autonoom werken, doet niets af aan de verantwoordelijkheid van de organisatie die een dergelijk systeem inzet. “Er spelen allerlei ethische, morele en juridische kwesties,” zegt Van Engers. “Uiteindelijk blijven mensen verantwoordelijk voor het gedrag van de technologie die zij inzetten.”
Hij voorspelt: “We staan aan de vooravond van een ontwikkeling waarin grote delen van organisaties worden ingevuld door agentsystemen die relatief zelfstandig functioneren. De vraag is niet óf dat gebeurt, maar vooral in welk tempo.”
Een belangrijk doel van onderzoeksproject ZODIAC is daarom om beter te begrijpen onder welke omstandigheden AI-afdelingen verantwoord kunnen worden ingezet. De onderzoekers zien parallellen met andere sectoren waar automatisering al langer een rol speelt. Van Engers noemt de luchtvaart als voorbeeld. Moderne vliegtuigen vliegen grotendeels automatisch, maar piloten blijven trainen om hun vaardigheden op peil te houden. “De vraag is hoe we iets vergelijkbaars kunnen organiseren in andere sectoren,” zegt hij. “Hoe zorgen we dat mensen voldoende vaardigheden, kennis en kunde behouden terwijl ze met AI-systemen samenwerken?”
Samenwerking
Om dat te onderzoeken werkt het team samen met verschillende praktijkpartners, waaronder KPMG en het shared service centre (SSC) van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dit laatste ondersteunt meerdere ministeries bij het beheer van cloudservices. Het werk dat daar wordt gedaan is complex en medewerkers moeten continu beschikbaar zijn om continuïteit te kunnen garanderen. Volgens Van Engers biedt het een interessante testomgeving. “We willen onderzoeken wat er gebeurt als delen van dat werk door een zero-person department worden uitgevoerd,” zegt hij. “Dan kun je ook kijken wat dat betekent voor de taken van de medewerkers die er nu werken.”
Met KPMG richt het project zich vooral op de vraag hoe organisaties verantwoording kunnen afleggen over AI-systemen. Als een afdeling grotendeels door AI wordt aangestuurd, moet immers duidelijk zijn hoe beslissingen tot stand komen en wie verantwoordelijk is wanneer er iets misgaat. “Daar spelen vragen rond auditing en rapportage,” zegt Van Engers. “Hoe zorg je dat organisaties vertrouwen kunnen hebben in zulke systemen en tijdig kunnen ingrijpen als dat nodig is?”
Hoewel het onderzoek zich vooral richt op de technologie en de impact daarvan op werknemers en organisaties, verwachten de onderzoekers dat de inzichten ook relevant zullen zijn voor burgers. Steeds vaker krijgen mensen immers te maken met complexe geautomatiseerde systemen, bijvoorbeeld bij overheidsdiensten of een klantenservice. Boon verwacht dat veel bevindingen over hoe medewerkers AI ervaren, ook vertaald kunnen worden naar de beleving van burgers die met AI geconfronteerd worden. “Het kan zijn dat mensen zich minder gehoord voelen als ze met AI-systemen communiceren,” zegt ze. “Ze kunnen zich daardoor eenzaam voelen. Maar er is ook onderzoek dat laat zien dat mensen sommige gevoelige vragen juist liever aan een AI-systeem stellen dan aan een mens.”
Juist die ambiguïteit maakt het onderwerp volgens de onderzoekers zo interessant. AI biedt kansen om werk efficiënter en flexibeler te organiseren, maar roept tegelijkertijd nieuwe vragen op over verantwoordelijkheid, vaardigheden en menselijke relaties op de werkvloer. Met hun onderzoek hopen Boon en Van Engers bij te dragen aan een genuanceerder debat over AI in organisaties. “Er zijn veel kansen, maar ook risico’s,” zegt Boon. “Wat wij willen begrijpen, is onder welke voorwaarden deze technologie op een verantwoorde manier kan worden ingezet, zodat we organisaties en andere belanghebbenden ook handvatten kunnen aanreiken om zero-person departments op een verantwoorde manier te implementeren.”
Transdisciplinariteit
ZODIAC is een transdisciplinair onderzoeksproject, dat is aan de Universiteit van Amsterdam is ondergebracht bij drie faculteiten: Natuurkunde, Wiskunde en Informatica, Economie en Bedrijfskunde, en Rechtsgeleerdheid.
‘Net zoals een organisatie een multidisciplinair team nodig heeft om zo’n zero-person departement te ontwikkelen, hebben wij als wetenschappers elkaars expertisegebieden nodig om een beter beeld te krijgen van wat er nu eigenlijk gaande is’, zegt Boon.
Volgens Van Engers heeft alleen al de call voor de Stimulus Mens en Organisatie het onderzoek een belangrijke impuls gegeven. “Iedere discipline keek al naar een stukje van dit vraagstuk,” zegt hij. “Maar pas als je die perspectieven bij elkaar brengt, kun je echt begrijpen wat er gebeurt wanneer organisaties steeds meer door AI worden ondersteund, of zelfs gedeeltelijk worden overgenomen.”
Dankzij de Stimulus kunnen twee onderzoekers worden aangesteld om het project te helpen uitvoeren.
maandag, januari 19, 2026 | Interviews
Waarom zijn algoritmen zo aantrekkelijk voor de overheid, en waar schuilt het gevaar? In zijn masterscriptie voor de opleiding Applied Ethics aan de Universiteit Utrecht onderzoekt Kim Hospers de rol van empathie en emotie in moreel gevoelige besluitvorming. Zijn conclusie is helder: algoritmen kunnen veel, maar mogen nooit zelfstandig beslissen over mensenlevens.
Kim Hospers / Fotograaf: Kamil Kaminski

Wat was de aanleiding voor je onderzoek?
“Het was eigenlijk een samenloop van omstandigheden. Aan de ene kant speelde de toeslagenaffaire natuurlijk een rol, en ook wat er bij DUO is misgegaan. Tegelijkertijd volgde ik een vak waarin we spraken over het toedichten van menselijke eigenschappen aan artificiële systemen. Kun je eigenlijk wel spreken van ‘intelligentie’ bij artificiële intelligentie?
Daarnaast was er een heel alledaagse ervaring. Ik kocht online een vrij duur product, betaalde netjes, maar kreeg geen bestelbevestiging. Toen ik contact zocht, bleek er niemand bereikbaar, alleen een chatbot. Die gaf als antwoord: ‘Wij adviseren u om geduld te hebben.’ Formeel correct, maar daar heb je natuurlijk niets aan. Als een mens mij had uitgelegd wat er aan de hand was, had ik daar veel meer begrip voor gehad. Die drie dingen samen brachten me bij dit onderwerp.”
In je scriptie stel je dat algoritmen geen empathie kunnen hebben. Waarom is empathie volgens jou essentieel bij besluiten die diep ingrijpen in mensenlevens?
“Ik voer daar drie argumenten voor aan. Het eerste is dat je, om de situatie van mensen echt te begrijpen, context nodig hebt. In sommige gevallen is het belangrijk om te weten waar iemand doorheen gaat, wat er op het spel staat. Dat vereist empathisch vermogen. Dat kun je niet simpelweg berekenen.
Het tweede argument is dat emoties een belangrijke rol spelen in het democratisch proces. In de interactie tussen burgers en overheid hebben emoties een motiverende waarde. Een menselijke uitvoeringsambtenaar kan bijvoorbeeld boos of verdrietig worden over een systeem dat onrechtvaardig uitpakt en daardoor aan de bel trekken. Een algoritme kan dat niet.
En ten derde: fouten maken is onvermijdelijk. Juist dan is empathie cruciaal, van overheid naar burger en andersom. Een burger kan begrip opbrengen als een ambtenaar erkent dat er iets fout is gegaan. En omgekeerd kan een overheid met empathie zien dat een fout van een burger niet per se kwade opzet is.”
In discussies over AI in beleid gaat het vaak over bias en transparantie. Wat mis je in dat debat?
“Voor mijn gevoel zit dat debat een beetje op slot. Het overgrote deel van de literatuur gaat over bias en ondoorzichtigheid van algoritmen, en terecht. Maar je kunt dezelfde kritiek ook op menselijke besluitvorming toepassen. Mensen zijn ook notoir bevooroordeeld en zijn lang niet altijd transparant over hun afwegingen.
Wat ik probeer toe te voegen, is een andere invalshoek: laten we expliciet kijken naar de rol van emotie en empathie. Niet als wondermiddel, maar als een factor die we serieus moeten nemen.”
Betekent dat dat je technologie afwijst?
“Zeker niet. Dat benadruk ik juist sterk. Algoritmen zijn enorm waardevol en we moeten ze absoluut niet aan de kant schuiven. Mijn conclusie is dat algoritmen prima ingezet kunnen worden, zolang ze niet zelfstandig beslissingen nemen die direct ingrijpen in het welzijn van burgers. In zulke gevallen moet er altijd een empathische actor tussen zitten: een mens.
Wat we niet moeten doen, is een volledig geautomatiseerd systeem optuigen dat ondoorzichtig is en de uitkomsten klakkeloos overnemen, zoals bij de toeslagenaffaire is gebeurd.”
Je zou 'algoritmische besluitvorming' een categorie-fout kunnen noemen, kun je uitleggen waarom?
“In de literatuur wordt vaak gesproken over ‘algorithmic decision making’ versus ‘human decision making’. Maar dat is eigenlijk misleidend. Het zijn altijd mensen die besluiten om algoritmen in te zetten, en die bepalen ook welke rol die systemen krijgen. Als we zeggen ‘het algoritme heeft besloten’, schuiven we verantwoordelijkheid af. Dat roept onnodige vragen op over wie aansprakelijk is. Hoe dan ook is het een mens die besloten heeft het systeem in te zetten en bij die beslissing ligt de verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid staat los van eventuele onvoorziene of ongewenste gevolgen die met het gebruik van het systeem gepaard gaan.”
Wat laat de toeslagenaffaire volgens jou zien over de risico’s van geautomatiseerde besluitvorming?
“Wat daar misging, is onder meer dat het onderscheid tussen moedwillige fraude en menselijke fouten volledig is verdwenen. Bovendien zaten er racistische elementen in het systeem. De toeslagenaffaire kwam voort uit de Bulgarenfraude, waar we als samenleving verontwaardigd over waren. De reactie daarop was extreem streng, en die strengheid is vervolgens geautomatiseerd. Dat is funest gebleken. Het laat zien hoe belangrijk wederkerige empathische interactie is tussen overheid en burgers. Tegelijkertijd is het een voorbeeld van de gevaren van puur emotioneel handelen en een weinig kritische houding naar technologische oplossingen. We moeten ons afvragen hoe wij dit als samenleving hebben laten gebeuren.”
Waar zie jij wél een legitieme rol voor algoritmen in overheidsbeleid?
“Op heel veel plekken. De overheid gebruikt al lang algoritmen om processen te versnellen. In mijn scriptie noem ik bijvoorbeeld systemen die bepalen of iemand recht heeft op uitstel van belastingbetaling. Dat levert enorme tijdwinst op en is prima, zolang er een mens blijft die de invoer controleert en de uitkomst beoordeelt.
Hetzelfde geldt voor rekenmodellen die natuurrampen voorspellen. Dat soort toepassingen heeft enorme maatschappelijke waarde.”
Als je één misverstand over AI in de publieke sector zou mogen wegnemen, welk zou dat zijn?
“Dat is moeilijk kiezen. Ik noem er twee. Allereerst is er veel wantrouwen en dat wantrouwen begrijp ik, maar we moeten het kind niet met het badwater weggooien. Veel algoritmische toepassingen maken ons leven juist makkelijker. Ten tweede is het belangrijk te beseffen wat een algoritme wel en niet doet. Het maakt voorspellingen op basis van input. Het denkt niet, het wil niets, het heeft geen intenties.”
Wat betekent jouw onderzoek concreet voor beleidsmakers en uitvoerende ambtenaren?
“Misschien dat ze vaker niet alleen moeten onderzoeken of iets efficiënter kan, maar ook wat de morele en maatschappelijke consequenties zijn. Technologie kan helpen, maar is geen vrijbrief.
Soms is een combinatie van menselijk ‘gesputter’ en technische hulpmiddelen simpelweg de beste weg vooruit. Ruimte maken voor empathie, terwijl je gebruikmaakt van de versnelling die AI biedt – dát is volgens mij de kern.”
Je bent ouder dan de gemiddelde masterstudent. Heeft je levensloop invloed gehad op deze scriptie?
“Ik kan zeggen dat ik niet bepaald een onbezorgde jeugd heb gehad. Daardoor heb ik een groot gedeelte van mijn leven een nogal ambivalente houding gehad ten opzichte van emoties. Ik denk dat dit eraan heeft bijgedragen het onderwerp met een zekere zakelijke afstand te kunnen bestuderen. Daarnaast ben ik oorspronkelijk opgeleid als kunstenaar en geef al twintig jaar les aan de kunstacademie in Rotterdam. Vanuit die rol ben ik gewend voortdurend de wereld om mij heen te bevragen. Dat heeft me ook zeker geholpen.”
Zie je jezelf promoveren?
“Dat lijkt me ontzettend interessant. Praktisch gezien is het ingewikkeld, onder andere door verplichtingen vanuit de lerarenbeurs die het mogelijk heeft gemaakt dat ik naast werk en gezin deze master kon gaan volgen. Veel promotietrajecten die ik passend vind, zijn fulltime. Maar ik houd mijn ogen open. Dit smaakt naar meer.”
donderdag, januari 15, 2026 | Headlines
Op 19 januari worden in Haarlem de KHMW Brouwer Vertrouwensprijzen uitgereikt. De KHMW Brouwer Vertrouwensprijzen zijn bestemd voor maatschappelijke initiatieven die het onderling vertrouwen in de samenleving versterken. Dit jaar gaat de eerste prijs (€ 100.000) naar Algorithm Audit en de tweede prijs (€ 50.000) naar Deel de Duif.
1e prijs: Algorithm Audit
Technologie neemt steeds vaker besluiten die direct ingrijpen in het leven van burgers. Algorithm Audit, winnaar van de eerste prijs van de KHMW Brouwer Vertrouwensprijzen 2026, wil voorkomen dat technologische systemen mensen buitensluiten of het contact met de overheid ontmenselijken. De stichting brengt onafhankelijke adviescommissies bij elkaar waarin wetenschappelijke experts en burgervertegenwoordigers samen concrete AI-toepassingen, hoofdzakelijk bij de overheid, beoordelen. De inzichten uit deze beoordelingen zijn vaak ook toepasbaar voor andere organisaties.
In de afgelopen jaren onderzocht de stichting onder meer risicoprofileringsalgoritmen bij gemeenten, DUO en een platform voor leenauto’s. Dat leidde tot concrete adviezen aan overheden, publieke verantwoording en aantoonbare verbeteringen in beleid en uitvoering. De instrumenten die Algorithm Audit ontwikkelt om systematische vertekening op te sporen, worden door de organisatie open source beschikbaar gesteld. Als groeiend nationaal en Europees kennisplatform deelt de organisatie haar expertise via onderzoek, whitepapers, workshops en lezingen, met als doel het vertrouwen van burgers in digitale besluitvorming en overheidshandelen te versterken.
Jurriaan Parie, mede-initiatiefnemer en directeur van Algorithm Audit, is niet tegen technologische vooruitgang. ‘Maar’, zegt hij in een interview op de website van de KHMW, ‘het is belangrijk om expliciet aandacht te houden voor menselijkheid: efficiëntie en innovatie zijn niet de enige criteria. Mens en machine moeten goed leren samenwerken, met medemenselijkheid als kern.’
👉 Lees hier een interview met Jurriaan Parie, directeur van Algorithm Audit.
2e prijs: Deel de Duif
Deel de Duif is een dialooginitiatief van joodse en islamitische jongeren die zich gezamenlijk verzetten tegen maatschappelijke verharding. Door consequent te zoeken naar overeenkomsten in plaats van verschillen laat de stichting zien dat vertrouwen en verbinding mogelijk blijven, ook wanneer spanningen hoog oplopen. Sinds de oprichting weet Deel de Duif met een heldere, persoonlijke boodschap een breed publiek te bereiken.
Vanuit Amsterdam is Deel de Duif actief door het hele land en daarbuiten. De organisatie werkt met scholen, overheden, bedrijven en maatschappelijke instellingen en is daarnaast zichtbaar in het publieke debat en in de media. In 2024 verzorgde Deel de Duif tientallen gastlessen op middelbare scholen, workshops voor docententeams en trainingen binnen de publieke sector. In dialoogsessies en nagesprekken over gevoelige thema’s – zoals de impact van het conflict in het Midden-Oosten op jongeren en professionals in Nederland – biedt de stichting concrete handvatten om moeilijke gesprekken veilig en constructief te voeren. Zo draagt Deel de Duif bij aan meer onderling begrip, saamhorigheid en vertrouwen in een gepolariseerde samenleving.
‘Verschillen van opvatting bestonden vroeger ook al. Maar je ziet dat mensen emotioneel steeds verder uit elkaar zijn geraakt’, zegt David Roos, een van de vier jongeren die samen het gezicht van Deel de Duif vormen, in een interview op de KHMW-website. ‘Het vertrouwen in de ander is afgenomen. Dialoog kan die kloof verkleinen, door te laten zien dat de ander vanuit goede intenties denkt, ook als je het oneens bent.’ Zijn collega Oumaima al Abdellaoui vult aan: ‘We beginnen altijd met onszelf kwetsbaar op te stellen. Een jood en een moslim komen samen binnen, vaak doet dat al veel in een ruimte. We vertellen onze persoonlijke verhalen en laten zien dat we, ondanks grote verschillen, samen naast elkaar staan.’
👉 Lees hier een interview met David en Oumaima van Deel de Duif.
KHMW Brouwer Vertrouwensprijzen
De KHMW Brouwer Vertrouwensprijzen bekronen maatschappelijke initiatieven die het onderling vertrouwen in de Nederlandse samenleving versterken. Hiermee stimuleert de KHMW de verdere ontwikkeling van bestaande projecten die bewezen succesvol bijdragen aan het versterken van het maatschappelijk vertrouwen.
De KHMW Brouwer Vertrouwensprijs wordt uitgereikt sinds 2017. Sinds 2025 worden er twee prijzen uitgereikt: een eerste prijs van € 100.000 en een tweede prijs van € 50.000. In 2026 waren er 54 inzendingen. De jury bestond uit ir. Marcel Belt, Dick Boer, prof. dr. Hans Boutellier, prof. dr. Marileen Dogterom, prof. dr. Karen van Oudenhoven-van der Zee en drs. Marlies Veldhuijzen van Zanten-Hyllner. Juryvoorzitter was mr. Rutger Schimmelpenninck.

KHMW
De KHMW, opgericht in 1752, is het oudste wetenschappelijke genootschap van Nederland. De KHMW heeft als doel de wetenschap te bevorderen en een brug te slaan tussen wetenschap en samenleving. Dat doet de organisatie onder meer door het uitreiken van prijzen en het organiseren van lezingen en symposia. De KHMW is gezeteld in het Hodshonhuis in Haarlem.
De uitreiking van de KHMW Brouwer Vertrouwensprijzen 2026 vindt op maandag 19 januari plaats in het Hodshonhuis. De prijsuitreiking maakt deel uit van de Jan Brouwer Conferentie. Deze conferentie heeft als thema ‘Samen werken aan vertrouwen’. Sprekers zijn prof. dr. Hans Boutellier, bijzonder hoogleraar Polarisatie & Veerkracht, Vrije Universiteit Amsterdam, en lid van de jury voor de Vertrouwensprijs, prof. dr. Jet Bussemaker, voorzitter van de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving en hoogleraar Wetenschap, beleid en maatschappelijke impact, Universiteit Leiden, en prof. dr. Tine De Moor, initiatiefnemer CollectieveKracht (laureaat Vertrouwensprijs 2025) en hoogleraar Social Enterprise and Institutions for Collective Action, Rotterdam School of Management.