maandag, november 17, 2025 | Interviews
Engelse vertaling
John Collins, winnaar van de KHMW Jong Talent Afstudeerprijs voor Life Sciences, brengt een bijzondere mix van business, biotech, engineering en ruimteonderzoek mee. De jonge Canadees wil de zware industrie verduurzamen, nieuwe wetenschappelijke inzichten ontgrendelen en grenzen verleggen – in het lab én daarbuiten.
Je hebt een indrukwekkend cv. Wanneer besloot je je echt op de wetenschap te richten?
Ik begon met een bachelor in bedrijfskunde. Op een gegeven moment besefte ik dat ik een bedrijf wilde starten, omdat ik dacht dat dat de beste manier was om een verschil te maken in de wereld. Maar ik stuitte op een grens – je kunt dat niet echt effectief doen als je alleen een economische achtergrond hebt.
Toen ik bedrijfskunde studeerde, wilde ik eigenlijk arts worden. Maar die weg voelde te beperkend – je zit vast aan ziekenhuissystemen en protocollen. Startups daarentegen zijn open-ended. Daar kun je vaardigheden uit business, engineering en wetenschap combineren. Ik heb er bewust naar gestreefd om over al deze disciplines te kunnen communiceren. Als dat me een bepaald terrein niet lukt, weet ik dat ik daar meer over moet leren.
Vind je dat de academische wereld deze interdisciplinaire aanpak inmiddels voldoende aanvaard heeft, of zitten sommige mensen nog vast in traditionele disciplines?
We maken vooruitgang. Anders dan twintig jaar geleden betreden steeds meer mensen de academische wereld tegenwoordig zonder de intentie om er voor altijd te blijven hangen.
Samenwerking tussen disciplines is essentieel – veel AI-doorbraken zijn bijvoorbeeld geïnspireerd door de menselijke biologie. Tegelijkertijd blijft diepgaande expertise noodzakelijk. Fundamenteel onderzoek zonder directe toepassing leidt vaak tot ontdekkingen die de toekomst vormgeven. Beide benaderingen zijn belangrijk, en ik ben blij dat we deze richting op gaan.
Mijn doel is om ongeveer 80% vaardig te zijn in veel gebieden, in plaats van 99% in één. Ik wil specialisten kunnen aansturen en hun manier van denken begrijpen.
Wat is je uiteindelijke doel?
Ik maak me zorgen over de impact van de zware industrie op het klimaat en ecosystemen. Ik zie een bedrijf voor me dat de CO2-uitstoot van de zware industrie kan verlagen én de gezondheid van mens en planeet kan verbeteren. Ik beschouw de aarde als een gesloten ecosysteem – als een soort ruimtecapsule – waarin we bewust moeten omgaan met koolstofdioxide, zuurstof en afval.
Je groeide op in Canada. Wat bracht je naar Nederland?
Ik zeg graag dat ik voor de liefde kwam – mijn partner studeerde aan de Universiteit Utrecht. Maar professioneel gezien was de opleiding die ik hier kon doen perfect: interdisciplinair, met zowel computationeel werk als labwerk. Nederlandse masterprogramma’s zijn uniek. Ze bieden een combinatie van colleges en praktische onderzoekservaring die je in Canada niet tegenkomt.
Dankzij de Vrije Universiteit en de Universiteit van Amsterdam kon ik een gezamenlijke master volgen aan beide universiteiten. De VU regelde het grootste deel van de administratie, maar ik profiteerde van beide campussen – met docenten in systeembiologie en mariene microbiologie en met uiteenlopende perspectieven.
En natuurlijk is Nederland een prachtig land.
Waar ging je onderzoek over?
We onderzochten microben die op plastics in de oceaan leven, op verschillende soorten plastic en over langere tijd. Met computationele technieken volgden we hoe deze microbiële gemeenschappen zich ontwikkelden. Interessant genoeg zagen we dat microben op biologisch afbreekbare plastics relaties vormen die mogelijk bijdragen aan hun afbraak – relaties die we niet zien bij fossiele plastics. We bereiden nu een publicatie over dit onderzoek voor.
Je liep stage bij de European Space Agency, waar je werkte aan microben die bioplastics afbreken in de ruimte. Hoe was dat?
Fantastisch. Het ESA is een geweldig instituut. In mijn werk hield ik me bezig met materialen op aarde en hun tegenhangers in de ruimte. De omgeving, de mensen, de wetenschap – alles was inspirerend.
Je hebt de Kilimanjaro beklommen, een halve Ironman gedaan en vier marathons gelopen. Beïnvloedt die mindset je onderzoek?
Zeker. Deze uitdagingen leerden me doorzettingsvermogen. Als je 35 kilometer in een marathon zit of zes dagen onderweg bent op de Kilimanjaro, leer je niet op te geven – ook niet als het zwaar wordt. Die mentaliteit neem ik mee in mijn onderzoek. Wetenschappers zijn veerkrachtig, en dat probeer ik ook te zijn.
Je onderzoek veranderde je oorspronkelijke hypothese over plasticafbrekende microben. Hoe voelde dat?
Verrassend en nederigstemmend. Ik verwachtte dat de afbrekende microben het ecosysteem zouden domineren omdat zij een unieke voedselbron hadden, maar ze bleken juist secundaire spelers. De meeste initiële hypothesen blijken niet te kloppen – en dat is een belangrijke les voor jonge wetenschappers.
Moeten wetenschappers opener zijn over ‘negatieve’ resultaten?
Absoluut. Publicaties lijken vaak perfect, maar zijn gebouwd op jaren van mislukte experimenten. Het delen van mislukkingen – wat niet werkte en waarom je bijstuurde – zou veel inzicht geven in hoe wetenschap werkelijk werkt.
Collega’s beschrijven je als gedreven en nieuwsgierig. Hoe houd je dat vast?
Het zit in mijn natuur. Mijn ouders waren onderwijzers. Zij moedigden me altijd aan om vragen te stellen en op onderzoek uit te gaan. Ik zie de wereld nog steeds als iets waarvan ik veel kan leren.
Wil je nog iets toevoegen?
Voor mij is het cruciaal geweest om te netwerken en kansen actief op te zoeken. Zo kreeg ik de kans om stage te lopen bij het ESA doordat ik al maanden eerder contact had gezocht. Je kunt uitkomsten niet voorspellen, dus je kunt maar beter alles doen om de kansen in jouw voordeel te laten werken.
donderdag, maart 20, 2025 | Headlines
Verslag van het eerste transitiedebat
Dit jaar begint de KHMW een nieuwe gespreksreeks, de Transition Talks. Tijdens deze debatten wordt er gesproken over de belangrijke maatschappelijke transities van onze tijd. Op zondag 16 maart stond als eerste de materialentransitie centraal.
Dat de aandacht deze zondagmiddag vooral uitging naar plastic, is niet toevallig. Dagvoorzitter Tom van Aken, CEO van Avantium, liet in zijn inleiding zien dat plastics werkelijk overal zijn. Wereldwijd gebruiken we anno 2024 maar liefst 450 miljoen ton per jaar, en de verwachting is dat dat gebruik oploopt tot meer dan 1000 miljoen ton in 2050. Plastics worden voor meer dan 90% gemaakt van fossiele grondstoffen. Toch wordt momenteel wereldwijd maar 10-15% van het plastic gerecycled. En er lekt veel weg: de afgelopen 50 jaar is zo’n 200 miljoen ton plastic in zee terechtgekomen. Verreweg het meest plastic wordt verbrand of eindigt op een vuilnisbelt.
De KHMW had drie deskundigen uitgenodigd om hun visie op het onderwerp te geven: mr. Sandra Onwijn MPA, directeur Circulaire Economie, Klimaat & Energie, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, vanuit de overheid, dr. ir. Nelleke van der Puil, vicepresident Materials, LEGO Group, vanuit het bedrijfsleven, en prof. dr. Pieter Bruijnincx, hoogleraar duurzame chemie en katalyse, Universiteit Utrecht, vanuit de wetenschap.
Wat doet de overheid?
Sandra Onwijn meldde dat het kabinet als doel heeft gesteld dat Nederland in 2050 volledig circulair is. Dat wil zeggen dat we zuinig en slim met grondstoffen en producten omgaan. We gebruiken minder grondstoffen doordat we producten langer gebruiken en gebruikte grondstoffen weer inzetten voor nieuwe producten. Ook kiezen we grondstoffen die steeds weer aan te vullen zijn.
Om dit doel te bereiken, is er een Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) opgesteld. Dit programma gaat uit van vier knoppen waar je aan kunt draaien (de zg. ‘4 v’s’): verminderen van grondstofgebruik, vervangen van grondstoffen, verlengen van de levensduur van producten en verwerken van producten en grondstoffen (hoogwaardig recyclen). De overheid kan dit aanjagen door te stimuleren, te normeren en te beprijzen. Het NPCE geeft een programmatisch overzicht van de doelen en maatregelen die op dit moment zijn voorzien voor de realisatie van de een circulaire economie. Het programma biedt ook veel ondersteunende maatregelen.
Om het NPCE te laten slagen, wordt er van de consument een gedragsverandering verwacht. De consument is immers de eindgebruiker: hij moet de cirkel rond maken.
De transitie is voor elke sector en productgroep anders. Daarom focust de overheid op vijf prioritaire sectoren en grondstoffenketens: consumptiegoederen, kunststoffen, bouw, maakindustrie en biomassa en voedsel.
In 2027 wordt de circulaire-plastic-norm van kracht: dan worden polymeerverwerkers in Nederland verplicht om ca. 25-30% circulaire polymeren toe te passen bij het maken van plastic. Dit moet leiden tot duurzaam grondstoffengebruik en reductie van de CO2-uitstoot. Het ministerie heeft subsidies beschikbaar om bedrijven bij deze transitie te ondersteunen.
Daarnaast staat in het hoofdlijnenakkoord een heffing op plastic aangekondigd. Deze moet de schatkist jaarlijks structureel 547 miljoen euro opleveren. Dit plan wordt uitgewerkt door het ministerie van Financiën, maar het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is hier nauw bij betrokken, zegt Onwijn. Daarnaast is haar ministerie bezig met een beleidsplan over een grondstoffentransitie in de chemische industrie, waarbij koolstof wordt vervangen door duurzame bronnen zoals secundaire (gerecyclede) grondstoffen en duurzame bio-grondstoffen.
Wat doet het bedrijfsleven?
LEGO, ‘de grootste bandenproducent ter wereld’, werkt natuurlijk volop met plastics. Het geliefde speelgoed wordt vervaardigd in zeven grote fabrieken in verschillende werelddelen.
Nelleke van der Puil laat zien dat de grootste milieuvervuiling niet plaatsvindt bij LEGO zelf, maar in het voor- en na-traject. Dat begint al bij de winning van olie en gas, waarbij veel CO2 en methaan vrijkomen, en bij de bewerking van die grondstoffen tot nafta en moleculen, wat veel energie kost. ‘De conversie van plastic tot plasticproduct in de LEGO-fabriek is relatief minder belastend’, zegt Van der Puil, ‘maar de stappen ervoor zijn natuurlijk nodig om tot dat product te komen. En dan is het ook de vraag wat er ná gebruik met het plasticproduct gebeurt.’
LEGO onderzoekt of er voorin de productieketen iets veranderd kan worden. Om onafhankelijk te worden van olie en gas wordt ernaar gestreefd over te stappen op duurzame (gerecyclede of bio-gebaseerde) materialen. Daarnaast stimuleert het bedrijf hergebruik van het eindproduct. LEGO wordt onder gebruikers vaak van generatie op generatie doorgegeven. LEGO wil gebruikers die echt van hun gekleurde steentjes af willen, aanmoedigen om ze terug te brengen, zodat ze hergebruikt kunnen worden of verwerkt tot een nieuw product.
Wat zegt de wetenschap?
Hoogleraar Pieter Bruijnincx daagt iedereen uit om anders over de materialentransitie te gaan denken. ‘De circulaire economie is maar een middel’, waarschuwt hij, ‘geen doel op zich.’ Het klinkt hem nog te veel als ‘nieuwe wijn in oude zakken’. Niet dat hij de circulaire economie opzij wil schuiven, maar hij wil er graag iets anders naast zetten.
De cirkel bestaat uit grondstofwinning, productie, gebruik en levenseinde van het product. Bij dat levenseinde kun je denken aan hergebruik, recyclen of afval als bron. Maar natuurlijk lekt er ook veel weg en komt er, zoals we hebben gezien, veel plastic in het milieu terecht.
‘Er wordt nog te veel uitgegaan van het palet aan materialen dat nu gebruikt wordt’, zegt Bruijnincx. ‘Maar dit palet is niet ontworpen voor circulariteit. En het past niet goed bij de nieuwe grondstoffen. Het wordt nog steeds bepaald door wat we hebben en kennen, en het is een mismatch met waar we eigenlijk zouden willen zijn.’ We denken, constateert Bruijnincx, nog te veel aan de functie van een product, niet aan het levenseinde ervan. Eigenlijk zouden we bij het einde moeten beginnen.
Bruijnincx pleit dan ook voor een ‘moleculenrevolutie’, waarbij uitgegaan wordt van bio-gebaseerde en gerecyclede materialen. ‘Maak ruimte hiervoor’, zegt hij, ‘en vermijd een nieuwe lock-in!’
Debat
Na de drie inleidingen volgde er een geanimeerd debat. Meerdere vragen hadden betrekking op het feit dat er afgelopen jaar verschillende recyclingbedrijven failliet zijn gegaan, en er naar verwachting nog meer zullen volgen. Dit is extra schrijnend omdat deze bedrijven na de invoering van de circulaire-plastic-norm in 2027 hard nodig zullen zijn. Sandra Onwijn kent het probleem, dat veroorzaakt is doordat de prijs van recyclaat op dit moment heel laag ligt, gecombineerd met de hoge energieprijzen. Volgens Onwijn moet er in EU-verband gekeken worden of de Nederlandse markt beschermd kan worden tegen de invoer van virgin plastic uit China en de Verenigde Staten. Daarnaast heeft de Tweede Kamer recent een motie aangenomen om te kijken naar een overbruggingskrediet voor recyclingbedrijven tot 2027.
Volgens Van der Puil wil een bedrijf als LEGO graag nieuwe, bio-gebaseerde plastics hebben, en is het ook bereid om daarvoor te betalen. ‘Dat doen we nu al, veel meer’, zegt ze. ‘Als we deze transitie doen, gaan we er met z’n allen wel meer voor betalen. Het is ook niet zo makkelijk om je productieproces helemaal te veranderen. Je kunt niet in een keer al je machines vervangen, daar komen dan ook heel veel afvalstoffen van.’
Volgens Tom van Aken hebben bedrijven die nieuwe technologie ontwikkelen in Europa, en zeker in Nederland, moeite om geduldig risicodragend kapitaal te krijgen. Daardoor vallen die bedrijven vaak om voor ze op commerciële schaal produceren. ‘Terwijl er ook aan de biobased-kant veel bedrijven zijn die veelbelovend zijn. We moeten ze een kans geven om op de markt te komen.’
Hoopgevende voorbeelden
Gevraagd naar hoopgevende voorbeelden verwijst Sandra Onwijn naar de regelgeving uit 2016 die een einde maakte aan gratis plastic tasjes. ‘Dat is een enorm succes, want iedereen neemt nu zijn eigen tas mee, of ze betalen ervoor.’ Ook kringloopwinkels en tweedehands textiel zitten in de lift. ‘Ik vermoed dat jongeren al veel meer met de circulaire economie bezig zijn dan de oudere generaties’, zegt ze.
Pieter Bruijnincx beaamt dat er een verandering van de ‘hearts and minds’ gaande is. Aan de universiteit merkt hij dat de studenten, jonge mensen, zelfs ‘eisen’ om hierin opgeleid te worden, en dat ze er heel graag hun creatieve energie voor willen inzetten.
Volgens Nelleke van der Puil zet LEGO vaker in op hergebruik. Zo heeft het bedrijf in de Verenigde Staten een succesvolle ‘replay’-campagne opgezet. ‘Dat is in Europa met al die regelgeving lastiger.’
Tom van Aken bericht dat zijn bedrijf, Avantium, zich veel met bio-gebaseerde producten bezighoudt. Textiel producten worden nog vaak niet gerecycled omdat ze bestaan uit meerdere stoffen; er wordt gewerkt aan nieuwe technologieën om ook zulke stoffen op zo’n manier te processen dat ze volledig gerecycled kunne worden . De cirkel sluit zich als consumenten leren ‘om hun spullen in zo’n bak te stoppen’, zegt hij.