Nu beschikbaar: Danspartners gezocht van Jan Donders en Flip de Kam: een toegankelijk geschreven analyse van het begrotingsbeleid van het kabinet-Jetten en de politieke keuzes daarachter.
Jan Donders was enige tijd werkzaam aan Tilburg University en vervulde daarna verschillende functies bij de SER, het ministerie van Economische Zaken, het CPB en het ministerie van Financiën. Vanaf 2005 was hij verbonden aan de Rijksacademie voor Financiën, Economie en Bedrijfsvoering, onder meer als directeur BoFEB.
Flip de Kam is honorair hoogleraar Economie van de publieke sector aan de Rijksuniversiteit Groningen en was korte tijd Tweede Kamerlid voor de PvdA.
Prijs: € 12,50 (incl. portokosten)
U kunt dit boek bestellen via onderstaand formulier. Na ontvangst van uw betaling wordt het boek per post toegestuurd.
Moet Nederland actiever kiezen in welke sectoren en technologieën het wil investeren? En is industriebeleid, na jaren van scepsis, weer verstandig economisch beleid?
Deze vragen stonden centraal tijdens het 17e Wim Drees Seminar op 24 maart 2026 in het gloednieuwe gebouw van de Universiteitscampus Spui in Den Haag. Sprekers waren drs. Frans van Houten, Board of Directors Novartis en oud-president en CEO Royal Philips, dr. Paul de Bijl, Chief Economist Autoriteit Consument & Markt, en prof. dr. Marcel Timmer, hoogleraar Economische groei en ontwikkeling Rijksuniversiteit Groningen en directielid Centraal Planbureau. Zij gingen onder leiding van moderator prof. dr. Barbara Baarsma, hoofdeconoom PwC Nederland, hoogleraar toegepaste economie Universiteit van Amsterdam en voorzitter Bankraad DNB met elkaar en met de zaal in debat over concurrentiekracht, strategische autonomie, publieke waarden en de rol van de overheid in de economie.
Aanleiding voor het seminar vormden recente analyses en oproepen tot actie, onder meer van Mario Draghi en Peter Wennink, die wijzen op de verslechterende economische positie van Europa. De centrale vraag was niet alleen óf er iets moet gebeuren, maar vooral hoe: met meer regie, gerichte investeringen en industriepolitiek, of juist met meer aandacht voor de beperkingen en risico’s van overheidssturing.
Europa verliest terrein Frans van Houten opende het seminar met een urgent pleidooi voor versterking van het Nederlandse en Europese verdienvermogen. Volgens hem heeft Europa lange tijd kunnen profiteren van globalisering, relatief goedkope energie en de veiligheidsgarantie van de Verenigde Staten, maar zijn die omstandigheden inmiddels fundamenteel veranderd. De economische groei blijft achter, de kosten stijgen en geopolitieke verhoudingen verschuiven. Als het verdienvermogen van Europa verder verzwakt, komen volgens hem uiteindelijk ook sociale voorzieningen en publieke waarden onder druk te staan.
Hij plaatste zijn analyse in een breder theoretisch kader. Verwijzend naar het werk van Michael Porter benadrukte hij dat het concurrentievermogen van landen samenhangt met productiviteit, innovatiekracht en de kwaliteit van randvoorwaarden zoals kennis, arbeid, kapitaal en infrastructuur. Daarnaast onderstreepte hij, in lijn met Why Nations Fail van Daron Acemoglu en James Robinson, het belang van sterke politieke en economische instituties voor duurzame groei en stabiliteit.
Tegen deze achtergrond schetste Van Houten een vergelijking tussen de Verenigde Staten, China en Europa. De Verenigde Staten beschikken volgens hem over gunstige voorwaarden voor innovatie en ondernemerschap, waaronder ruime toegang tot kapitaal, relatief lage energieprijzen en een grote interne markt. China combineert een consistente langetermijnstrategie met actieve industriële sturing en grootschalige investeringen in infrastructuur en grondstoffen. Europa daarentegen kampt met hoge energieprijzen, een gefragmenteerde markt, complexe regelgeving en een langdurige terughoudendheid ten aanzien van industriepolitiek. Dat maakt het volgens hem moeilijk om effectief tegenwicht te bieden aan beide grootmachten.
Van analyse naar actie Volgens Van Houten is de analyse van deze ontwikkelingen inmiddels overtuigend gemaakt, onder meer in recente rapporten van Mario Draghi en Peter Wennink. De uitdaging ligt nu vooral in de uitvoering. Europa heeft een meerjarige strategie nodig voor groei en waardecreatie, waarin duidelijke keuzes worden gemaakt voor kansrijke sectoren. Hij noemde daarbij onder meer digitale technologie en kunstmatige intelligentie, veiligheid en weerbaarheid, energie en klimaat, en life sciences en biotech.
Zo’n strategie vraagt volgens hem om een actievere rol van de overheid. Niet om individuele bedrijven te ondersteunen die in moeilijkheden verkeren, maar om doelgericht voorwaarden te creëren voor toekomstige economische kracht. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om investeringen in talent en infrastructuur, snellere vergunningverlening, aantrekkelijkere investeringscondities, strategisch gebruik van publieke inkoopmacht en intensievere publiek-private samenwerking. Ook pleitte hij ervoor meer Europees kapitaal in Europa zelf te investeren.
Van Houten sprak in dit verband van “industriepolitiek 2.0”: een gerichte strategie die inzet op nieuwe groeigebieden in plaats van op het behoud van bestaande structuren. Dat vraagt volgens hem om duidelijke prioriteiten en consistent beleid op de lange termijn.
Gerichte keuzes en sterke randvoorwaarden Een succesvolle strategie vergt volgens Van Houten niet alleen investeringen, maar ook duidelijke keuzes. Landen moeten zich richten op terreinen waarop zij daadwerkelijk kansrijk zijn, in plaats van te proberen te concurreren op gebieden waar andere regio’s structureel sterker staan. Het rapport-Wennink noemt in dat verband vier strategische groeigebieden die richting kunnen geven aan toekomstig beleid.
Cruciaal daarbij is het gericht inzetten van randvoorwaarden. Overheden kunnen via hun beleid knelpunten wegnemen en groeikansen versterken door bijvoorbeeld gespecialiseerd talent beschikbaar te maken, schaarse middelen strategisch te alloceren, investeringen te stimuleren en besluitvorming te versnellen. Ook het bijeenbrengen van bedrijven, kennisinstellingen en overheden rond gezamenlijke prioriteiten is volgens hem essentieel voor het ontstaan van sterke economische ecosystemen.
Investeren in toekomstig verdienvermogen Volgens Van Houten vergt deze koers omvangrijke investeringen, mogelijk oplopend tot honderden miljarden euro’s. Hogere belastingen acht hij daarvoor geen geschikte oplossing, omdat die investeringen juist kunnen afremmen. In plaats daarvan pleitte hij ervoor de relatief sterke Nederlandse schuldpositie te benutten voor structurele investeringen in infrastructuur, energie en klimaat.
Daarnaast ziet hij een belangrijke rol voor institutionele beleggers. Pensioenfondsen zouden volgens hem een groter deel van hun vermogen in Nederland kunnen investeren, terwijl ook privaat kapitaal sterker kan worden gemobiliseerd als de randvoorwaarden voor langetermijninvesteringen verbeteren. Daarbij moet het volgens hem vooral gaan om investeringen in nieuwe groeisectoren, niet om het in stand houden van activiteiten zonder toekomstperspectief.
Leiderschap en lange termijn De voorgestelde transformatie vraagt volgens Van Houten om consistent beleid over een langere periode en om duidelijke regie van overheid en instituties, in nauwe samenwerking met private partijen. Publieke investeringen mogen daarbij gepaard gaan met wederkerige afspraken over bijdragen van bedrijven aan maatschappelijke doelen.
Leiderschap betekent in zijn visie ook dat beleid waar nodig wordt bijgesteld, verantwoordelijkheden helder worden belegd en voortgang transparant wordt gevolgd. Zulke werkwijzen zijn in het bedrijfsleven vanzelfsprekend, maar zouden volgens hem ook op nationaal niveau vaker kunnen worden toegepast.
Daarnaast benadrukte hij het belang van draagvlak. Structurele veranderingen vragen om een overtuigend verhaal richting samenleving en politiek, waarin duidelijk wordt gemaakt waarom versterking van het verdienvermogen noodzakelijk is en welke keuzes daarvoor nodig zijn. Ook culturele factoren spelen daarbij een rol: een mentaliteit gericht op samenwerking, initiatief en vertrouwen is volgens hem essentieel voor succesvolle economische vernieuwing.
Van Houten verwees tot slot naar internationale voorbeelden van landen die door consistente strategische keuzes hun economische structuur ingrijpend hebben versterkt. Tegen die achtergrond riep hij op om minder tijd te besteden aan verdere analyse en meer aan uitvoering. Dat leidde tot zijn centrale vraag aan panel en publiek: onderschrijven zij de analyse dat het Nederlandse verdienvermogen versterking nodig heeft, en zijn zij bereid de bijbehorende keuzes te maken?
Een breder verhaal dan alleen concurrentiekracht Paul de Bijl kon zich op hoofdlijnen vinden in de analyse dat de urgentie groot is en dat Nederland en Europa werk moeten maken van hun economische toekomst. Toch plaatste hij twee belangrijke kanttekeningen.
De eerste is dat Nederland dit niet alleen kan. Nederland is, in economisch en geopolitiek opzicht, te klein om op eigen kracht de slag met de Verenigde Staten of China aan te gaan. Wie over industriebeleid spreekt, moet volgens De Bijl dus vooral ook spreken over Europa en over samenwerking met andere Europese landen.
Zijn tweede kanttekening betrof het verhaal waarmee zulke keuzes politiek en maatschappelijk moeten worden gelegitimeerd. Een beroep op concurrentiekracht, innovatie en economische groei alleen is volgens hem niet genoeg om draagvlak te creëren. Wie burgers en politiek wil meenemen, moet ook duidelijk maken wat zulke investeringen betekenen voor hun dagelijks leven: voor wonen, werk, energievoorziening, onderwijs en kansen om betekenisvol mee te doen in de samenleving.
Ten derde wijst De Bijl erop dat de noodzakelijke economische koerswijzigingen vragen om investeringen en beleidsconsistentie over een periode van ongeveer twintig jaar. Dat botst met het ritme van de politiek, die meestal in cycli van twee tot vier jaar opereert. Juist dat spanningsveld vormt een van de grootste praktische uitdagingen bij het realiseren van een langetermijnstrategie voor het verdienvermogen van Nederland en Europa.
Barbara Baarsma vraagt vervolgens of deze koerswijziging ook schaalvergroting in Europees verband vereist. De Bijl bevestigt dat dit in veel gevallen noodzakelijk is, maar wijst er tegelijk op dat zulke stappen steeds per sector en per toepassing zorgvuldig moeten worden beoordeeld. Het vaak genoemde voorbeeld van een Europese cloud laat volgens hem zien dat schaalvergroting in de praktijk complex is en niet zonder meer vanzelfsprekend.
Een economie is geen bedrijf Marcel Timmer onderschreef de noodzaak van meer investeringen, meer dynamiek en meer aandacht voor de lange termijn. Maar hij maakte ook duidelijk dat hij moeite heeft met de onderliggende logica van veel pleidooien voor nieuw industriebeleid. Die zijn volgens hem vaak geschreven vanuit het perspectief van een topbestuurder uit het bedrijfsleven: begrijpelijk, maar ook beperkt.
Zijn kernpunt was dat een nationale economie geen bedrijf is. In een bedrijf kun je vrij direct sturen op winst, investeringen en schaal. In een samenleving ligt dat fundamenteel anders, omdat daar altijd meerdere publieke doelen tegelijk in het spel zijn. Wie beleid maakt voor een land, moet niet alleen kijken naar economische groei, maar ook naar onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg, sociale zekerheid, milieu en verdelingsvraagstukken.
Timmer verwees naar het belang van zogeheten inclusieve instituties: instituties die ervoor zorgen dat kansen, macht en middelen breed worden gedeeld. Volgens hem zijn onderwijs, zorg en sociale zekerheid niet louter kostenposten die betaald kunnen worden zodra het bedrijfsleven voldoende winst maakt. Ze zijn zelf ook een voorwaarde voor economische kracht, omdat zij mensen in staat stellen risico’s te nemen, zich te ontwikkelen en productief deel te nemen aan de economie.
Daarnaast benadrukte Timmer dat er in de praktijk grenzen zijn aan wat tegelijk kan worden gedaan. Als de overheid tientallen grote projecten tegelijk wil uitvoeren, loopt zij al snel aan tegen schaarste aan arbeid, ruimte, energie en infrastructuur. Daarom is prioritering onvermijdelijk. Niet alles kan tegelijk, en juist daar wordt de vraag naar industriebeleid lastig: wie kiest wat voorrang krijgt, op basis van welke criteria, en hoe voorkom je dat vooral goed georganiseerde belangen de doorslag geven?
Volgens Timmer ligt daar een belangrijke rol voor de overheid, maar eerder als coördinator en facilitator dan als partij die precies aanwijst welke winnaars de economie van morgen zullen zijn. Nieuwe bedrijvigheid en innovatie ontstaan vaak op onverwachte plekken. Juist daarom moeten ecosystemen worden ondersteund, nieuwe activiteiten ruimte krijgen en verschillende vormen van expertise worden samengebracht.
Gedeelde urgentie, verschillende accenten In de slotdiscussie bleek dat de drie sprekers ondanks hun verschillende invalshoeken op hoofdlijnen dichter bij elkaar stonden dan hun onderlinge accenten soms deden vermoeden. Zij waren het erover eens dat het Nederlandse en Europese verdienvermogen versterking vraagt en dat daarvoor gerichter beleid, Europese samenwerking en investeringen op langere termijn noodzakelijk zijn.
Tegelijk benadrukten De Bijl en Timmer dat economische strategie altijd moet worden verbonden met bredere maatschappelijke doelen, zoals onderwijs, gezondheid en inclusiviteit. Van Houten onderschreef dat punt en stelde dat economische groei en sociale vooruitgang elkaar juist versterken: een sterke economie vormt uiteindelijk de basis voor publieke voorzieningen en brede welvaart.
De verschillen tussen de sprekers lagen dan ook minder in de richting van de oplossing dan in de vraag hoe ver de overheid moet gaan in het maken van keuzes en hoe zulke maatregelen politiek en maatschappelijk gedragen kunnen worden. Over één punt bestond echter brede overeenstemming: niets doen is geen optie.
De Irispenning 2025 is op 16 oktober tijdens de Avond van Wetenschap & Maatschappij in de Pieterskerk in Leiden uitgereikt aan wetenschapsjournalisten Anna Gimbrère en Diederik Jekel.
Na afronding van hun studie natuurkunde zetten Gimbrère en Jekel zich al jarenlang met onvermoeibare inzet en aanstekelijk enthousiasme in om hun liefde voor wetenschappelijk onderzoek uit te dragen, via podcasts, sociale media en uiteenlopende televisieprogramma’s. De jury roemt hun vermogen om complexe onderwerpen begrijpelijk en boeiend te maken voor een breed publiek, en in het bijzonder hun succes in het bereiken van jongeren.
Irispenning voor Excellente Wetenschapscommunicatie wordt jaarlijks toegekend aan personen of organisaties die zich op bijzondere en langdurige wijze inzetten voor de communicatie van wetenschap en techniek. De prijs bestaat uit een gouden penning en een geldbedrag van € 10.000, beschikbaar gesteld door de KHMW.