Tussen afhankelijkheid en autonomie: Europa herijkt zijn defensie
De wereld zoals wij die meenden te kennen, verandert in snel tempo. Daarom organiseerde de KHMW op zondag 8 maart een Transitiedebat over de transitie bij defensie en in de defensie-industrie. Over Europese samenwerking, industriële slagkracht en het draagvlak voor een nieuwe veiligheidsrealiteit.
Jarenlang was defensie in Nederland een onderwerp dat zich betrekkelijk ver van het dagelijks leven leek af te spelen. De krijgsmacht werd kleiner, de defensie-uitgaven bleven achter en de gedachte dat veiligheid in Europa uiteindelijk wel gegarandeerd was, leek breed gedeeld. Inmiddels is dat vanzelfsprekende gevoel verdwenen. De oorlog in Oekraïne, de oplopende geopolitieke spanningen en de veranderende houding van de Verenigde Staten hebben de vraag naar Europese weerbaarheid en strategische autonomie urgent gemaakt. Maar wat betekent dat concreet? Wat vraagt dat van overheid, bedrijfsleven en samenleving? En welke rol is daarin weggelegd voor de defensie-industrie?
Over die vragen boog zich een debat van de KHMW, gemodereerd door drs. Inge Bryan, adviseur cyber security en bestuurslid van de KHMW. Aan tafel zaten drie sprekers die vanuit uiteenlopende invalshoeken naar dezelfde opgave keken: mr. Alexander Ribbink, general partner van Keen Venture Partners en maatschappelijk lid van de KHMW, prof. dr. Paul Ducheine, Deputy Director Research Division (Researcher Cyber War) aan het NATO Defence College in Rome en voormalig hoogleraar cyberoperaties aan de Nederlandse Defensie Academie, en ir. Gerben Edelijn, CEO van Thales Nederland BV.
Wat verdedigen we eigenlijk?
Hoewel het gesprek soms alle kanten op ging, tekenden zich in de loop van de middag een aantal duidelijke lijnen af. Eén daarvan was dat defensie veel breder moet worden gezien dan als een sector die alleen om tanks, fregatten of gevechtsvliegtuigen draait. Volgens Paul Ducheine begint het debat bij een fundamentelere vraag: wat verdedigen we eigenlijk? Defensie, zo stelde hij, beschermt “wat ons dierbaar is”. Maar daarachter gaan meteen twee andere vragen schuil: wat verstaan we onder “ons”, en wat is ons eigenlijk “dierbaar”? Het antwoord daarop raakt niet alleen aan territoriale veiligheid of NAVO-verplichtingen, maar ook aan economische continuïteit, publieke voorzieningen en maatschappelijke stabiliteit. Defensie staat dus niet los van de rest van de samenleving, maar vormt er een voorwaarde voor.
Een achterstand die moet worden ingehaald
Tegelijkertijd maakte het debat duidelijk hoe groot de achterstand is die Nederland in korte tijd probeert in te halen. De krijgsmacht en de defensie-industrie opereren niet vanuit een comfortabele uitgangspositie, maar vanuit een situatie waarin jarenlang is bezuinigd en defensie maatschappelijk weinig prioriteit kreeg. Dat was niet alleen zichtbaar in de begrotingen, maar ook in de manier waarop naar militairen en defensiebedrijven werd gekeken. Alexander Ribbink herinnerde eraan dat de bereidheid om in defensie te investeren lange tijd gering was, zelfs nadat de annexatie van de Krim al had laten zien dat de Europese veiligheidsorde niet vanzelfsprekend stabiel was.
Volgens Ribbink ligt daar een deel van het huidige probleem. Europa heeft te lang geleund op bescherming van buitenaf, terwijl het onvoldoende investeerde in de eigen slagkracht. Met enige ironie verwees hij naar een bekende typering van oud-NAVO-secretaris-generaal Jaap de Hoop Scheffer: “Onze veiligheid hebben we gedelegeerd aan Amerika, onze energie aan Rusland, de goedkope spulletjes haalden we uit China en wij gingen lekker vroeg naar het strand.” Die houding, zo werd in het debat duidelijk, is niet langer houdbaar.
Klik hier om naar de foto's te gaan.
Een kleine markt, een internationale industrie
Voor de defensie-industrie heeft die kentering grote gevolgen. Gerben Edelijn schetste hoe een bedrijf als Thales Nederland zich de afgelopen decennia staande heeft gehouden in een land waar defensietechnologie lange tijd eerder argwaan dan enthousiasme opriep. De Nederlandse markt is daarvoor simpelweg te klein. Ook als de defensie-uitgaven stijgen, blijft Nederland als afzetmarkt onvoldoende om een hoogwaardige industrie op eigen kracht te dragen. Daarom is export cruciaal. Thales heeft volgens Edelijn kunnen overleven door zich te specialiseren, met name in maritieme radartechnologie, voortdurend te blijven investeren in innovatie en producten te ontwikkelen die ook internationaal relevant zijn. “De systemen die wij nu op de markt zetten,” zei hij, “zijn we tien jaar geleden begonnen.”
Dat wijst meteen op een van de grote spanningen in het debat: de noodzaak om snel op te schalen botst met de lange ontwikkel- en productietijden van geavanceerde systemen. Je bouwt geen serieuze radarcapaciteit, luchtafweer of maritiem systeem van de ene op de andere dag op. Dat geldt niet alleen voor hardware, maar ook voor productiecapaciteit, kennisopbouw en personeel. Bovendien is de Nederlandse markt, zelfs bij hogere budgetten, te klein om een zelfstandige industriële basis te dragen. Wie in Nederland defensietechnologie ontwikkelt, moet dus bijna vanzelfsprekend ook Europees of mondiaal opereren.
Europese schaal, nationale reflexen
Daarmee kwam al snel het volgende grote thema op tafel: Europa. Vrijwel alle sprekers waren het erover eens dat de noodzakelijke schaal niet in Nederland ligt, maar in Europese samenwerking. Tegelijk bleek hoe weerbarstig die samenwerking is. In theorie is het logisch dat Europese landen meer gezamenlijk ontwikkelen, inkopen en produceren. In de praktijk blijven nationale reflexen hardnekkig. Fransen kopen het liefst Frans, Duitsers Duits en Italianen Italiaans. Parlementen, regionale werkgelegenheid en nationale industriepolitiek doorkruisen het streven naar efficiëntie en schaalvergroting.
Toch was de conclusie niet dat Europese samenwerking een illusie is. Integendeel: zonder Europese schaal blijft de defensie-industrie kwetsbaar. Maar die samenwerking moet minder vrijblijvend worden. Er klonk begrip voor een Europese voorkeurspositie bij defensieaankopen, een soort “Buy European”-benadering, al werd ook erkend dat dat in acute situaties niet altijd haalbaar is. Soms zijn systemen elders beschikbaar en zijn de gaten te groot om daarop te wachten. Voor de langere termijn werd echter breed onderstreept dat Europa alleen aan strategische autonomie kan bouwen als het structureel in eigen capaciteiten investeert. Wat lange tijd als ambitieus ideaal gold, wordt daarmee steeds meer een praktische noodzaak.
Bondgenoot én afhankelijkheid: de Verenigde Staten
Daarbij werd ook de veranderende rol van de Verenigde Staten nadrukkelijk besproken. De VS blijven voor Europa voorlopig onmisbaar, niet in de laatste plaats op het gebied van nucleaire afschrikking en geavanceerde technologie. Tegelijk groeit het besef dat die afhankelijkheid riskant is. Niet alleen omdat de Amerikaanse binnenlandse politiek onvoorspelbaarder is geworden, maar ook omdat de VS hun economische en technologische macht steeds explicieter geopolitiek inzetten. Edelijn wees erop dat Amerikaanse industriepolitiek steeds sterker gericht is op het vasthouden van technologische afhankelijkheden en het bevoordelen van de eigen industrie. Daarmee wordt het voor Europese partners lastiger om zelfstandig positie te kiezen en verschuift de relatie van puur bondgenootschap naar een combinatie van samenwerking en concurrentie.
Die spanning is des te pregnanter omdat Europa nog niet zonder de Verenigde Staten kan, maar zich er ook niet meer volledig op kan verlaten. Dat geldt zeker op nucleair terrein. Vanuit de zaal werd gewezen op het feit dat binnen de NAVO weliswaar gezamenlijke planning bestaat rond de Amerikaanse nucleaire paraplu, maar dat de vraag naar Europese zeggenschap daarmee niet automatisch is opgelost. Ook het Franse aanbod om meer Europees te denken over nucleaire afschrikking roept direct de vraag op hoeveel invloed andere landen daadwerkelijk zouden krijgen op inzet en doctrine.
De prijs van veiligheid
Toch draaide het debat niet alleen om geopolitiek of industrie. Een van de interessantste lijnen betrof de vraag wat er maatschappelijk nodig is om deze omslag mogelijk te maken. Ducheine bracht dat terug tot drie voorwaarden voor verdedigingsvermogen: capaciteit, een plan en maatschappelijke wil. Ontbreekt één van die drie, dan blijft er volgens hem weinig meer over dan een papieren werkelijkheid. Geld alleen is dus niet genoeg. Er moeten ook mensen zijn, oefenruimte, juridische kaders en productiecapaciteit, en vooral een samenleving die bereid is de prijs van veiligheid te dragen.
Ducheine verwoordde dat scherp: “Onder alles ligt een fundamentelere pijler: dat zijn wij zelf. Wij die verdedigd willen worden, maar ook bereid moeten zijn de prijs daarvan te dragen. In financiële zin, in ruimtelijke zin, in fysieke zin. Defensie vraagt om een vrijheidsbijdrage, en die komt van ons allemaal.”
Een culturele omslag
Juist dat laatste bleek een gevoelig punt. Ribbink noemde de defensietransitie expliciet ook een culturele transitie. Zolang meer investeren in defensie een abstract ideaal blijft, is er draagvlak. Maar zodra de vraag concreet wordt, bijvoorbeeld in termen van ruimte, geld of comfort, wordt het ingewikkelder. Nederland is lang gewend geweest aan veiligheid als vanzelfsprekende achtergrond. Nu dat besef onder druk staat, moet ook het publieke verhaal veranderen.
Ribbink formuleerde dat scherp door te zeggen dat burgers van politici uiteindelijk vooral willen horen: doe jij alles wat nodig is om mij en mijn manier van leven te beschermen? Daarmee verschuift het debat van percentages naar de vraag wat veiligheid in de praktijk betekent. Tegelijk waarschuwde hij dat een morele positie zonder handelingsvermogen leeg blijft. Wie waarden wil verdedigen, moet ook de middelen hebben om dat geloofwaardig te doen. Zonder die combinatie dreigt strategische autonomie een lege huls te blijven.
Oude systemen, nieuwe oorlogvoering
Een ander spanningsveld betrof de aard van toekomstige oorlogvoering. Hoeveel moet worden geïnvesteerd in klassieke, zware systemen, en hoeveel in de snelle, flexibele technologieën die in Oekraïne zichtbaar zijn geworden? Drones, korte innovatiecycli en schaalbare productie veranderen de manier waarop voordeel op het slagveld wordt behaald. Maar dat betekent niet dat traditionele systemen overbodig zijn. Gevechtsvliegtuigen, luchtverdediging en maritieme slagkracht blijven essentieel. De uitdaging is om beide logica’s tegelijk te hanteren.
Van aanbesteding naar snelheid
Dat vraagt om een andere manier van aankopen en ontwikkelen. De klassieke aanbestedingsprocedures zijn daar volgens meerdere deelnemers niet op ingericht. Edelijn zei het ronduit: “De ouderwetse manier van aanbesteden, die vijf jaar duurt, kan gewoon niet meer.” In een wereld waarin technologie zich razendsnel ontwikkelt, is het niet houdbaar om jarenlang door procedures en veranderende eisen te gaan. Dat vraagt om nauwere en flexibelere samenwerking tussen overheid, krijgsmacht en industrie.
Bottlenecks: mensen, middelen en ketens
Daarnaast zijn er concrete bottlenecks. Er zijn niet alleen meer systemen nodig, maar ook meer mensen: militairen, technici, instructeurs en ontwikkelaars. Juist daar zit momenteel een knelpunt. Volgens Ducheine is vooral het aantal instructeurs beperkt. Wie meer militairen wil opleiden, heeft ook meer opleiders nodig. Daarmee raken personeelsbeleid, regelgeving en maatschappelijke acceptatie direct aan elkaar.
Ook de afhankelijkheid van grondstoffen en toeleveringsketens kwam aan bod. Europese systemen zijn lang niet altijd volledig Europees. Veel essentiële componenten komen uit China of andere niet-Europese ketens. Strategische autonomie begint dus niet bij het eindproduct, maar bij de industriële basis daaronder.
Meer dan herbewapening
Aan het eind van de middag ontstond zo het beeld van een complexe transitie op meerdere niveaus tegelijk. Defensie vraagt om meer geld, maar ook om politieke moed, Europese coördinatie, industriële keuzes, snellere innovatie en maatschappelijk draagvlak. De drie sprekers verschilden soms in accent, maar niet in hun diagnose: Europa en Nederland kunnen zich niet langer permitteren defensie als randonderwerp te behandelen.
Misschien vatte Ducheine dat nog het kernachtigst samen toen hij zei: “Als je een leeuw wilt hebben die afschrikt, moet je hem tanden geven.” Dat geldt voor de krijgsmacht, maar net zo goed voor de industrie, de politiek en de samenleving daarachter. De opgave is dus groter dan herbewapening alleen. Het gaat om de vraag of Nederland en Europa bereid zijn de voorwaarden te scheppen waaronder vrijheid, veiligheid en democratische weerbaarheid ook op de lange termijn geloofwaardig beschermd kunnen worden.

