Arbeidsmigranten spelen een cruciale rol in de Nederlandse economie. Ze werken in de bouw, de landbouw, distributiecentra en voedselverwerking – sectoren die zonder hun inzet nauwelijks zouden functioneren. Toch hebben veel Nederlanders volgens criminoloog Ruben Timmerman nauwelijks zicht op de dagelijkse werkelijkheid van deze werknemers.
Voor zijn proefschrift By Invisible Hands. Work, Exploitation and the Migrant Division of Labour, dat is bekroond met de KHMW Proefschriftprijs voor de Maatschappijwetenschappen, dompelde hij zich een jaar lang onder in die wereld. Hij werkte mee in de bouw, de agrovoedingssector en de logistiek, om van binnenuit te begrijpen hoe arbeidsmigranten leven en werken, en hoe misstanden ontstaan.

Die belangstelling voor arbeid en migratie ontstond al tijdens zijn masteropleiding. Timmerman deed destijds onderzoek in de vreemdelingendetentie onder ongedocumenteerde migranten. Daar merkte hij hoe bepalend werk was voor het leven van de mensen die hij sprak. Velen van hen hadden in Nederland gewerkt, vaak zwart, en hun arbeidspositie bleek van grote invloed op hun kansen, hun bestaanszekerheid en hun toekomstperspectief. “Toen begon ik te beseffen dat werk een centraal thema is als het gaat om migratie,” zegt hij. “De dagelijkse arbeidspraktijk bepaalt in hoge mate wat voor leven mensen kunnen opbouwen.”
Ook zijn eigen achtergrond droeg bij aan zijn belangstelling voor het onderwerp. Timmerman groeide op in Canada, in een arbeidersgezin. Zijn vader werkte als lasser in de scheepsbouw en hijzelf werkte jarenlang in de bouw voordat hij ging studeren. Ook daar zag hij hoe sterk werk het leven van mensen bepaalt.
“In de criminologie krijgt arbeid eigenlijk opvallend weinig aandacht,” zegt hij. “Terwijl juist aan de onderkant van de arbeidsmarkt enorm veel problemen ontstaan. In de criminologie noemen we dat social harm. Maar we weten eigenlijk nog heel weinig over wat er dagelijks op de werkvloer gebeurt.”
In veel hedendaags migratieonderzoek staan thema’s als identiteit, racisme en sociale uitsluiting centraal. Belangrijke onderwerpen, benadrukt Timmerman, maar hij koos bewust voor een andere invalshoek: arbeid, klasse en politieke economie.
“Het idee van een arbeidersklasse, waar arbeidsmigranten natuurlijk onderdeel van zijn, krijgt tegenwoordig minder aandacht,” zegt hij. “Terwijl ik juist in mijn eigen onderzoek en ook in mijn eigen levenservaring zie hoe bepalend klasse en arbeidspositie nog altijd zijn.”
Volgens hem dreigt de focus op identiteit en representatie soms de materiële werkelijkheid van het dagelijks bestaan te overschaduwen. Tijdens zijn onderzoek werkte hij met arbeidsmigranten van allerlei nationaliteiten, achtergronden en leeftijden. Wat zij gemeen hadden, was vooral hun kwetsbare positie op de arbeidsmarkt.
“Hun leven draaide bijna volledig om werk,” vertelt hij. “Ze waren aan het werk, of bezig zich voor te bereiden op de volgende werkdag: eten klaarmaken, schoonmaken, rusten. Alles draaide om werk. Hun werkomstandigheden en hun positie op de arbeidsmarkt bepaalden in hoge mate wat voor leven zij in Nederland konden hebben.”
Lange werkdagen
Voor zijn onderzoek werkte Timmerman twaalf maanden lang mee in verschillende sectoren waar veel arbeidsmigranten actief zijn. Hij deed dat grotendeels ‘undercover’: werkgevers en uitzendbureaus wisten meestal niet dat hij onderzoek deed. Hij werkte onder meer als bouwopruimer, in een fruitverwerkingsbedrijf en als orderpicker in distributiecentra.
Dat werk was zwaar, zegt hij. Werkdagen van tien tot twaalf uur waren eerder regel dan uitzondering. Soms vertrok hij om vijf uur ’s ochtends en was hij pas laat in de avond weer thuis.
“Toch was mijn positie anders dan die van mijn collega’s,” zegt hij. “Ik had wel te maken met zware werkomstandigheden, maar niet met dezelfde onzekerheid. Als ik mijn baan kwijt was geraakt, kon ik terug naar de universiteit. Mijn collega’s hadden die mogelijkheid niet.”
Juist dat verschil maakte voor hem scherp zichtbaar hoe kwetsbaar de positie van veel arbeidsmigranten is. Ze werken niet alleen lange dagen, maar leven ook voortdurend met onzekerheid over werk, inkomen en huisvesting. Die combinatie heeft volgens hem grote gevolgen voor integratie en sociale participatie.
“Er wordt bijvoorbeeld vaak gezegd dat arbeidsmigranten meer taallessen zouden moeten volgen of beter zouden moeten integreren,” zegt hij. “Maar mensen komen uitgeput thuis van hun werk. Ik had een Poolse collega die ’s avonds Nederlandse les volgde en letterlijk in slaap viel in de klas. Uiteindelijk is hij ermee gestopt. Dat zijn praktische dingen die je pas echt begrijpt als je zelf zulke werkdagen meemaakt.”
Op zoek naar het grotere verhaal
Het combineren van concrete praktijkervaring met abstracte theoretische analyse vormde volgens Timmerman een van de grootste uitdagingen van zijn proefschrift. Hij wilde niet alleen beschrijven wat hij op de werkvloer zag, maar ook het verband met bredere economische en politieke ontwikkelingen laten zien.
“Dat was echt puzzelen,” zegt hij. “Aan de ene kant zie je de dagelijkse situatie op de werkvloer. Aan de andere kant wil je begrijpen hoe die samenhangen met flexibilisering, arbeidsmarkthervormingen en bredere economische structuren.”
Voor voorbeelden keerde hij terug naar klassieke studies uit de arbeidssociologie, onder meer van Michael Burawoy, Harry Braverman en Michael Piore. “Wat ik zocht, vond ik eigenlijk niet goed terug in meer recente literatuur,” zegt hij. “Bij deze klassiekers zag ik wel die combinatie van directe ervaring op de werkvloer en theoretische diepgang.” Overigens vormden ook de boeken van onderzoeksjournalisten als de Duitser Günter Wallraff en de Amerikaanse Barbara Ehrenreich, die meermaals undercover gingen, een bron van inspiratie.
Timmerman was ervan overtuigd dat verborgen observatie noodzakelijk was om toegang te krijgen tot een wereld die zich normaal gesproken grotendeels afsluit voor onderzoekers. Zijn onderzoeksmethode riep echter ook ethische vragen op. Het duurde meer dan tien maanden voordat Timmerman voor zijn plannen goedkeuring kreeg van de ethische commissie van de universiteit.
“Bedrijven die sterk afhankelijk zijn van laagbetaalde arbeid schermen de werkvloer vaak af,” zegt hij. “Terwijl daar juist veel gebeurt, ook misstanden. Er is een groot maatschappelijk belang om daar onderzoek naar te kunnen doen.”
Hij merkte hoe weinig belangstelling bedrijven vaak hadden voor de mensen die zij inhuurden. Dat gold ook voor hem. Hij kon vrijwel direct beginnen met werken, zonder dat iemand vragen stelde over zijn achtergrond of motivaties.
“Dat zegt eigenlijk ook veel over de flexibilisering aan de onderkant van de arbeidsmarkt,” zegt hij. “Mensen worden behandeld als handjes of als nummers. Je wordt meteen aan het werk gezet en verder is er weinig contact.”
Een van de meest indringende ervaringen tijdens zijn veldwerk vond plaats op een bouwplaats. Samen met een collega werd Timmerman zonder training naar een gevaarlijke klus gestuurd: het verwijderen van zware bouwstempels (tijdelijke stalen constructies die betonnen vloeren ondersteunen). De uitvoerder zei slechts: “Doe voorzichtig, we willen vandaag geen doden.” Tijdens het werk viel een van de stempels op de hand van zijn collega. Eigenlijk had die direct medische hulp nodig, maar hij wilde niets melden uit angst zijn baan kwijt te raken. “Hij zei tegen mij: zeg alsjeblieft niets tegen het uitzendbureau, ik werk wel door met één hand,” vertelt Timmerman. “Dat vond ik echt schrijnend.”
Voor hem kwamen in dat ene moment allerlei structurele problemen samen: personeelstekorten, hoge werkdruk, gebrek aan training, veiligheid, en de afhankelijke positie waarin arbeidsmigranten zich bevinden.
Strategische onwetendheid
Timmerman neemt in zijn proefschrift afstand van termen als ‘moderne slavernij’ en ‘mensenhandel’, begrippen die in het publieke debat vaak centraal staan. “Die termen geven een verkeerd beeld van wat de grootste problemen op de arbeidsmarkt zijn,” zegt hij. “Natuurlijk bestaan extreme vormen van uitbuiting. Maar de overgrote meerderheid van de misstanden ziet er anders uit.” Volgens hem gaat het meestal niet om mensen die letterlijk worden vastgehouden of opgesloten, maar om werknemers die structureel worden blootgesteld aan slechte huisvesting, looninhoudingen, discriminatie, extreme onzekerheid en afhankelijkheid van werkgevers.
“Dat zijn misschien minder sensationele vormen van uitbuiting,” zegt hij, “maar ze hebben wel enorme gevolgen voor het dagelijks leven van mensen.”
Daarmee raakt hij ook aan een van de centrale conclusies van zijn proefschrift: misstanden zijn volgens hem geen incidenten veroorzaakt door een paar ‘rotte appels’, maar het gevolg van een systeem waarin verantwoordelijkheid voortdurend wordt doorgeschoven. Veel bedrijven huren arbeidsmigranten in via uitzendbureaus en complexe ketenconstructies. Daardoor ontstaat onduidelijkheid over wie precies verantwoordelijk is voor loon, huisvesting, veiligheid en arbeidsomstandigheden.
“In mijn onderzoek noem ik dat strategische onwetendheid,” zegt Timmerman. “Bedrijven gebruiken die constructies om afstand te creëren. Managers zeggen dan letterlijk: daar ga ik niet over, dat is iets van het uitzendbureau.” Volgens hem maakt juist die versnippering effectieve controle en handhaving bijzonder moeilijk. Tegelijkertijd profiteren grote delen van de Nederlandse economie van deze flexibiliteit.
Ook consumenten spelen daarin een rol, erkent Timmerman, maar hij is terughoudend met oplossingen die vooral nadruk leggen op individueel consumentengedrag.
“Er wordt weleens gezegd dat consumenten ook een verantwoordelijkheid hebben,” zegt hij. “Maar veel arbeidsmigranten kopen, omdat ze lage lonen hebben, zelf ook de goedkoopste producten in de supermarkt. De echte macht ligt niet bij consumenten, maar bij bedrijven, sectoren en de politiek.”
Hij wijst erop dat verbeteringen in arbeidsomstandigheden historisch gezien vooral tot stand kwamen door veranderingen in machtsverhoudingen tussen werknemers en werkgevers, niet door veranderend consumentengedrag.
Toekomstplannen
Zijn onderzoek kreeg de afgelopen jaren veel aandacht, zowel in de wetenschap als daarbuiten. Hij verscheen in landelijke media, sprak met beleidsmakers en zag zijn werk terugkomen in politieke discussies over arbeidsmigratie en arbeidsmarkthervormingen.
“Dat vind ik heel bijzonder,” zegt hij. “Ik hoopte natuurlijk dat het onderzoek gelezen zou worden buiten de universiteit. Juist dit soort onderwerpen hebben directe maatschappelijke gevolgen.”
Die gevolgen reiken volgens hem veel verder dan alleen de werkvloer. Problemen rond arbeidsmigratie hangen ook samen met dakloosheid, stedelijke armoede, druk op voorzieningen en sociale problemen in wijken. “Een groot deel van de mensen die in Nederland op straat leven, is arbeidsmigrant,” zegt hij. “Dat is geen toeval. Het hangt direct samen met de arbeidsmarktstructuren die ik beschrijf in mijn onderzoek.”
Tegelijkertijd vreest hij dat de problemen steeds minder zichtbaar worden voor de rest van de samenleving. In veel laagbetaalde sectoren werken inmiddels nauwelijks nog Nederlandse werknemers. “We profiteren economisch enorm van arbeidsmigranten,” zegt hij. “Maar juist doordat steeds minder Nederlanders zelf op die werkplekken aanwezig zijn, verdwijnt ook het zicht op de omstandigheden waaronder dit werk gebeurt. Daarom vind ik het bijzonder belangrijk dat dit onderwerp prominent blijft in het publieke en politieke debat.”
Momenteel werkt Timmerman als postdoctoraal onderzoeker aan een nieuw project over havenarbeiders en criminaliteit in de Rotterdamse haven. Daar onderzoekt hij onder meer hoe criminelen bedrijven en werkprocessen infiltreren om drugssmokkel mogelijk te maken. In dat onderzoek spelen flexibilisering, uitzendconstructies en arbeidsmigratie opnieuw een belangrijke rol.
Voor de toekomst hoopt hij opnieuw onderzoek te doen naar arbeid en migratie, maar dan in een bredere Europese context. Het liefst blijft hij werkzaam binnen de universiteit. “Ik houd van onderzoek doen, maar ook van onderwijs,” zegt hij. “De combinatie van wetenschap, engagement en werken met studenten vind ik ontzettend waardevol. Ik hoop dat ik dat kan blijven doen.”
De KHMW organiseert twee keer per jaar, in april en in oktober, voor belangstellende burgers en geïnteresseerde beleidsmakers een seminar in Den Haag op het gebied van openbare financiën en overheidsbeleid. De seminars zijn vrij toegankelijk. Geïnteresseerd? Geef dan uw e-mailadres door aan 