Eerste Treub Bate voor onderzoek naar ouderdom van Homo erectus op Java
Vanaf dit jaar stelt de KHMW jaarlijks een onderzoeksbate beschikbaar voor wetenschappelijk onderzoek in de Nederlandse Cariben, Suriname en Indonesië. De Treub Bate is vernoemd naar Melchior Treub (1815-1910), directeur van 's Lands Plantentuin in Buitenzorg op Java. De naar hem vernoemde Treub-Maatschappij, opgericht in 1890, is in 2024 als Fonds op naam ondergebracht bij de KHMW.
De allereerste Treub Bate is toegekend aan een internationaal team onder leiding van paleoantropoloog Eduard Pop (Naturalis Biodiversity Center), voor onderzoek naar de datering van Homo erectus-vindplaatsen op Java. In dit interview licht hij het project toe.

Eduard Pop
Uw project richt zich op de datering van Homo erectus-vindplaatsen op Java. Waarom is juist de ouderdom van deze vindplaatsen zo belangrijk voor ons begrip van de menselijke evolutie?
Sinds de eerste vondsten van de Nederlandse arts, antropoloog en paleontoloog Eugène Dubois (1858-1940) op Java zijn er veel nieuwe fossielen ontdekt, zowel in Azië als in Afrika en Europa. Toch bestaat er nog altijd discussie over de ouderdom van veel vindplaatsen op Java. Dat maakt het lastig om precies te reconstrueren wanneer Homo erectus Zuidoost-Azië bereikte en hoe deze populaties zich daarna ontwikkelden.
Daarbij kijken we niet alleen naar de fossielen zelf, maar ook naar veranderingen in het landschap. Schommelingen in zeespiegel en klimaat hebben in het verleden grote invloed gehad op de leefomgeving van vroege mensen, en die factoren willen we met elkaar in verband brengen.
Over welke periode hebben we het eigenlijk?
Grofweg gaat het om een periode tussen ongeveer 1,5 miljoen en 100.000 jaar geleden. De precieze datering van veel vindplaatsen binnen dat tijdsvenster is nog onzeker, en juist daar richt dit project zich op.
Waarom is het zo lastig om zulke oude vindplaatsen nauwkeurig te dateren?
Voor relatief recente perioden beschikken archeologen over methoden zoals koolstof-14-datering. Voor oudere vindplaatsen werkt dat niet meer. Dan moet je indirect dateren, bijvoorbeeld via diersoorten die samen met fossielen worden gevonden, of via de geologische lagen waarin ze liggen. Maar zulke chronologische kaders worden regelmatig herzien.
Wij gebruiken daarom een methode die gebaseerd is op radioactief verval van isotopen: argon-argondatering. Die wordt traditioneel toegepast op vulkanische aslagen. Op Java liggen fossielen echter vaak in rivierafzettingen of modderstromen waarin materiaal uit verschillende perioden door elkaar is geraakt. Daardoor leveren klassieke dateringen soms onbetrouwbare resultaten op.
In dit project dateren we daarom niet één mengmonster, maar afzonderlijke kristallen. Door tientallen tot honderd individuele kristallen per monster te analyseren, kunnen we de jongste leeftijdsgroep isoleren. Die geeft de meest betrouwbare schatting van de ouderdom van de afzetting waarin de fossielen zijn gevonden.
U onderzoekt onder meer klassieke vindplaatsen zoals Sangiran en Trinil. Waarom zijn juist deze locaties zo belangrijk?
Trinil is de plek waar Dubois eind negentiende eeuw de eerste Homo erectus-fossielen beschreef. Daarmee werd de basis gelegd voor het onderzoek naar menselijke evolutie in Zuidoost-Azië. Tegelijk bestaan er nog altijd vragen over de exacte herkomst en ouderdom van die fossielen.
Sangiran is minstens zo belangrijk, omdat daar zeer veel Homo erectus-materiaal uit verschillende lagen is gevonden. Ondanks intensief onderzoek bestaat er nog steeds discussie over wanneer Homo erectus daar precies arriveerde en hoe de populaties zich vervolgens ontwikkelden. Sangiran en Trinil behoren daarom tot de sleutelvindplaatsen in het internationale paleoantropologische onderzoek.
Het doel van uw project is dus vooral het vaststellen van een betrouwbare chronologie?
Ja. We dateren meerdere vindplaatsen op dezelfde manier, zodat we ze onderling goed kunnen vergelijken. Daardoor kunnen we beter bepalen welke vindplaatsen ouder of jonger zijn en hoe de ontwikkeling van Homo erectus op Java in de tijd is verlopen. Daarbij kijken we ook naar veranderingen in het landschap waarin deze populaties leefden.

Onderzoekers Eduard Pop en Jeroen van der Lubbe verzamelen samen met collega’s van BRIN, Harman Rachmadhan, Yves Belgiaswara en Enriko, sedimentmonsters nabij Bumiayu (Centraal-Java, Indonesië), die in het project worden geanalyseerd.
Uw onderzoek kan bijdragen aan een herziening van het traditionele ‘Out of Africa’-model. Wat betekent dat precies?
Een van de vindplaatsen die we onderzoeken is Bumiayu. Daar is een zeer oude fauna gevonden, mogelijk ouder dan de bekende Homo erectus-vindplaatsen op Java. Tot nu toe zijn daar nog geen duidelijke Homo erectus-fossielen aangetroffen in dezelfde lagen, maar dat kan veranderen. Het nieuwe door Indonesië geleide veldwerkproject kan daar een belangrijke rol in spelen.
Daarnaast zijn recent fossielen onderzocht van Meganthropus javanicus, een mensachtige vorm die mogelijk verwant is aan nog oudere Afrikaanse soorten. Dat zou erop kunnen duiden dat de aanwezigheid van vroege mensachtigen in Zuidoost-Azië complexer is dan we tot nu toe dachten.
Dat betekent niet dat de oorsprong van de mens buiten Afrika zou liggen. Wel kan het erop wijzen dat migraties eerder plaatsvonden of complexer verliepen dan het klassieke model veronderstelt.
De Treub Bate is bedoeld om onderzoek in Indonesië te stimuleren. Hoe sluit uw project aan bij bestaande Indonesisch-Nederlandse samenwerking?
Nederlandse onderzoekers zijn al lange tijd actief in wat nu Indonesië is, maar dit onderzoek vond in het verleden plaats binnen een koloniale context. Tegenwoordig werkt Naturalis op verschillende vlakken intensief samen met Indonesische partners. Sinds een jaar of tien is ook het gezamenlijke palaeoantropologisch veldwerk in Indonesië sterk geïntensiveerd. Dit project sluit direct aan bij deze bestaande, gelijkwaardige samenwerking.
Een deel van de subsidie wordt gebruikt om een Indonesische onderzoeker in Nederland te trainen. Wat is het belang daarvan?
De argon-argon-dateringsmethode wordt momenteel nog niet in Indonesië uitgevoerd. Door een Indonesische onderzoeker actief te betrekken bij het laboratoriumwerk in Amsterdam, dragen we bij aan kennisoverdracht en de opbouw van lokale expertise. Dat maakt het mogelijk om in de toekomst vergelijkbaar onderzoek ook in Indonesië uit te voeren.
Tegelijk vereist deze methode zeer gespecialiseerde infrastructuur. Monsters moeten bijvoorbeeld eerst worden bestraald in een onderzoeksreactor voordat ze geanalyseerd kunnen worden. Ook Nederlandse onderzoekers maken daarvoor gebruik van internationale faciliteiten, onder meer in de Verenigde Staten. Dit betekent dat samenwerking op dit punt inherent internationaal blijft, maar wel op een steeds gelijkwaardiger basis, met gedeelde expertise en verantwoordelijkheden.
In hoeverre bouwen hedendaagse onderzoekers nog voort op de ontdekkingen van Eugène Dubois?
Het onderzoek naar Trinil bouwt nog steeds voort op de vondsten van Eugène Dubois. Zijn documentatie vormt een belangrijke basis, maar met moderne technieken kunnen we vandaag de dag de ouderdom en herkomst van fossielen veel nauwkeuriger bepalen. Tegelijkertijd is er meer aandacht voor de historische context waarin dit onderzoek plaatsvond, inclusief de rol van koloniale verhoudingen. Beide aspecten zijn essentieel om de Dubois-collectie goed te begrijpen.
Een deel van de Dubois-collectie wordt momenteel gerestitueerd aan Indonesië. Speelt dat een rol in het huidige onderzoek?
Ja. De belangrijkste fossielen, waaronder het beroemde dijbeen en een kies, zijn inmiddels teruggegeven aan Indonesië. Andere delen van de collectie zullen binnenkort volgen.
De Indonesische instellingen beschikken inmiddels over goede faciliteiten voor beheer en onderzoek. Bovendien wordt er in Indonesië zelf steeds meer geïnvesteerd in paleoantropologisch onderzoek. Dat versterkt niet alleen de samenwerking, maar draagt ook bij aan een meer gelijkwaardige onderzoeksrelatie.
Tegelijk speelt onderzoek naar menselijke evolutie in Indonesië niet alleen een wetenschappelijke rol, maar ook een maatschappelijke. De vroege menselijke geschiedenis van Java wordt gezien als een belangrijk onderdeel van het nationale verleden. Kennis over Homo erectus maakt bijvoorbeeld deel uit van het onderwijs, en lokale musea zoals dat bij Trinil worden regelmatig door schoolklassen bezocht.

Veldwerkteam dat tussen 2022 en 2024, in samenwerking met BRIN, opgravingen uitvoerde bij Sogen (op de achtergrond), langs de oevers van de Solo-rivier, circa 8 km ten oosten van Trinil; Eduard Pop uiterst rechts.
Uw project brengt verschillende vindplaatsen voor het eerst in één samenhangend chronologisch kader. Wat betekent dat voor toekomstig onderzoek?
Als we een betrouwbaar tijdskader hebben voor meerdere vindplaatsen tegelijk, kunnen nieuwe vondsten daar beter in worden geplaatst. Dat maakt het eenvoudiger om hun ouderdom en betekenis te bepalen.
Tot nu toe gebeurde dat vaak op basis van indirecte aanwijzingen, zoals diersoorten of geologische formaties. Door directe datering van de sedimentlagen ontstaat een veel steviger referentiekader voor toekomstig onderzoek.
Wat maakt de Treub Bate mogelijk dat zonder deze subsidie niet haalbaar zou zijn geweest?
De subsidie maakt het mogelijk om zowel het dateringsonderzoek zelf uit te voeren als een Indonesische onderzoeker bij het project te betrekken. Daarmee investeren we niet alleen in nieuwe resultaten, maar ook in duurzame samenwerking en kennisopbouw.
Daarnaast vormt dit project een belangrijke stap richting grotere gezamenlijke onderzoeksprogramma’s in de toekomst. In die zin is de Treub Bate een opstap naar vervolgonderzoek op grotere schaal.
Nu beschikbaar: Danspartners gezocht van Jan Donders en Flip de Kam: een toegankelijk geschreven analyse van het begrotingsbeleid van het kabinet-Jetten en de politieke keuzes daarachter.