Winnaar KHMW Martinus van Marum Proefschriftprijs 2026: Bescherming Waddengebied blijkt lappendeken van afspraken, regelgeving en uitzonderingen

Winnaar KHMW Martinus van Marum Proefschriftprijs 2026: Bescherming Waddengebied blijkt lappendeken van afspraken, regelgeving en uitzonderingen

De Waddenzee geldt als een van de belangrijkste natuurgebieden van Europa. Toch laat het onderzoek van marien ecoloog Kasper Meijer, winnaar van de KHMW Martinus van Marum Proefschriftprijs 2026, zien dat grote delen van het gebied in de praktijk minder goed beschermd zijn dan vaak wordt gedacht.

Kasper Meijer promoveerde op 7 oktober 2025 aan de Rijksuniversiteit Groningen op Status Quo or Status Faux: The conservation status of the subtidal Dutch Wadden Sea. Hierin combineert hij veldwerk, langjarige monitoring en nieuwe analysemethoden om beter te begrijpen hoe het ecosysteem van de Waddenzee functioneert, en hoe natuurbeheer effectiever kan worden ingericht.

 Van Drachten naar de Waddenzee
Meijer groeide op in Drachten, niet ver van de Waddenzee. “Vanuit school gingen we regelmatig naar de eilanden of het wad. Ook met mijn ouders kwamen we vaak op Texel, Ameland of Schiermonnikoog. Daardoor was er altijd wel een band met het gebied.”
Toch lag zijn wetenschappelijke belangstelling aanvankelijk ergens anders. “Zoals veel mariene biologen was ik tijdens mijn studie vooral gefascineerd door tropische ecosystemen en koraalriffen. Tijdens mijn master heb ik ook projecten in die richting gedaan.” Pas toen de Rijksuniversiteit Groningen hem vroeg promotieonderzoek te doen naar de Waddenzee, begon hij serieus over het gebied na te denken. “Ik moest eerst wel even schakelen: wilde ik echt onderzoek gaan doen in een koud, modderig systeem? Maar het maatschappelijke belang van het onderzoek gaf uiteindelijk de doorslag.”
Van die keuze heeft hij geen moment spijt gehad. “De Waddenzee is nog steeds een van de meest ongerepte stukjes natuur van Nederland. Soms ben je dagen achtereen op het wad aan het werk zonder iemand tegen te komen. Je ziet nog wel de skyline van Harlingen, maar tegelijk ervaar je daar een rust en stilte die je bijna nergens anders in Nederland vindt.”
Dat romantische beeld kent ook een keerzijde. “In de winter kan het echt loodzwaar zijn. Wij werkten vooral in het subtidale deel van de Waddenzee: het gedeelte dat permanent onder water staat. Onderzoekers op droogvallende platen kunnen tenminste nog zien wat ze doen. Wij moesten alles afleiden uit metingen en monsters.”

Een lappendeken van bescherming
Tijdens zijn promotieonderzoek raakte Meijer steeds sterker geïnteresseerd in de vraag hoe effectief natuurbescherming in de Waddenzee eigenlijk is. Daarbij liep hij al snel tegen een verrassend probleem aan: niemand leek precies te weten welke beschermingsmaatregelen waar golden.
“Ik vroeg bij allerlei instanties kaarten en bestanden op van beschermde gebieden. Dan kreeg ik steeds te horen: daarvoor moet je eigenlijk bij een andere organisatie zijn. Of bepaalde kaarten overlapten niet goed met elkaar. Toen dacht ik: wat ís nou eigenlijk officieel beschermd?”
Om daarachter te komen dook hij uiteindelijk zelf in juridische teksten, vergunningen en coördinaten. “Ik ben al die grenzen gaan reconstrueren vanuit wet- en regelgeving. Toen bleek dat er best veel gaten en uitzonderingen in het systeem zitten.”
Volgens Meijer is de bescherming van de Waddenzee in de loop der jaren uitgegroeid tot een ingewikkelde lappendeken van afspraken, regelgeving en uitzonderingen. “Je hebt te maken met verschillende overheden, natuurorganisaties, visserijsectoren en beheerinstanties. Sommige maatregelen zijn wettelijk vastgelegd, andere zijn gebaseerd op afspraken tussen partijen. Daardoor ontbreekt een duidelijke samenhang.”
Zijn analyses laten zien dat beschermde gebieden lang niet altijd samenvallen met ecologisch waardevolle zones. “Veel beleid is in het verleden gebaseerd op aannames of onderhandelingen. Dat is op zich begrijpelijk, want voor het subtidale gebied bestonden nauwelijks gedetailleerde ecologische kaarten. Maar inmiddels hebben we veel meer data beschikbaar. Dan moet je ook bereid zijn om beleid daarop aan te passen.”
Volgens hem zou natuurbeheer dynamischer mogen worden ingericht. “Als blijkt dat een bepaald beschermd gebied ecologisch minder effectief is dan gedacht, moet je kunnen overwegen om bescherming te verschuiven naar plekken die wél cruciaal zijn.”

Niet alleen soorten tellen
Een belangrijk onderdeel van Meijers onderzoek draait om zogeheten ‘functionele biodiversiteit’. Daarbij kijk je niet alleen naar hoeveel soorten ergens voorkomen, maar vooral naar wat die soorten doen binnen een ecosysteem.
“Ecosystemen veranderen voortdurend. Het ene jaar vind je bepaalde soorten wel op een plek, het andere jaar niet. Maar dat betekent niet automatisch dat het systeem minder goed functioneert. Soms neemt een andere soort dezelfde ecologische rol over.”
Om dat beter te kunnen analyseren ontwikkelde Meijer samen met collega’s een openbare database met eigenschappen van mariene soorten. Die bevat informatie over bijvoorbeeld levensduur, voortplanting en gedrag van soorten. “Voorheen zat veel van die informatie verspreid in oude rapporten of moeilijk toegankelijke literatuur. Wij wilden die kennis juist openbaar beschikbaar maken.”
De database maakt het mogelijk om ecosystemen op een andere manier te analyseren. Een voorbeeld daarvan is bioturbatie: het omwoelen van de zeebodem door organismen zoals wormen en schelpdieren. “Die soorten brengen zuurstof in de bodem en beïnvloeden allerlei chemische processen. Dat zijn belangrijke functies binnen het ecosysteem.”
Ook eigenschappen als levensduur blijken ecologisch relevant. “Langlevende soorten die zich langzaam voortplanten zijn vaak gevoeliger voor verstoring van de bodem. Als zulke soorten verdwijnen, zegt dat iets over de kwetsbaarheid van het systeem.”
De database wordt inmiddels al door andere onderzoeksgroepen gebruikt en vormt volgens Meijer een belangrijke basis voor toekomstig natuurbeheer. “Het is een levende database: we blijven nieuwe soorten en informatie toevoegen.”

 Verstoring onder water
In zijn onderzoek keek Meijer niet alleen naar beschermingsgebieden, maar ook naar verstoringen van het ecosysteem. Daarbij gaat het niet uitsluitend om visserij.
“We hebben vooral gekeken naar bodemberoering: verstoringen van de zeebodem. Dat kan door vistuigen gebeuren, maar bijvoorbeeld ook door ankers van schepen.”
Juist dat laatste aspect krijgt volgens hem nog weinig aandacht in beleid. “Ankeren wordt vaak gezien als iets heel normaals, maar lokaal kan het grote impact hebben. Zeker op kwetsbare habitats zoals zeegrasvelden.”
Hoewel de Waddenzee tegenwoordig nog maar weinig zeegras bevat, wordt gewerkt aan herstelprojecten. “Als je wilt dat zulke ecosystemen herstellen, moet je ook nadenken over waar schepen wel en niet mogen ankeren.”
Belangrijk daarbij is volgens hem dat verstoringen niet los van elkaar moeten worden bekeken. “Vaak wordt één activiteit afzonderlijk beoordeeld. Maar ecosystemen krijgen te maken met een optelsom van menselijke én natuurlijke verstoringen. Juist die cumulatie kan grote effecten hebben.”

Ecologie en beleid
Meijer benadrukt dat hij als onderzoeker geen beleid wil voorschrijven. “Ik kan laten zien hoe het systeem functioneert en welke effecten bepaalde activiteiten hebben. Maar beleid gaat uiteindelijk ook over economische en maatschappelijke afwegingen.”
Dat betekent niet dat wetenschappers zich volledig afzijdig moeten houden van maatschappelijke discussies. Integendeel, vindt hij. “Vroeger was de houding vaak: wij doen alleen wetenschap en bemoeien ons niet met beleid. Daar zie je nu wel een verandering in. Als onderzoeker heb je veel kennis van een systeem, dus het is logisch dat je die deelt.”
Binnen het project waarin Meijer werkte werd veel aandacht besteed aan contact met beleidsmakers en andere betrokken partijen. Er waren stakeholderbijeenkomsten, presentaties en symposia waarin onderzoekers hun resultaten terugkoppelden. “Dat helpt enorm. Beleidsmakers krijgen daardoor vertrouwen in het onderzoek, en onderzoekers begrijpen beter welke vragen er leven.”
Volgens Meijer is die wisselwerking essentieel als wetenschappelijke kennis daadwerkelijk impact moet hebben. Verschillende onderdelen van zijn onderzoek worden inmiddels gebruikt door onder meer Rijkswaterstaat bij het evalueren van beschermingsmaatregelen en monitoring. 

“Je moet bescherming als geheel bekijken”
Voor de toekomst van de Waddenzee ziet Meijer nog veel ruimte voor verbetering. “Op dit moment bestaan er gebieden waar de ene vorm van bodemberoering verboden is, terwijl een andere vorm daarvan wel is toegestaan. Daardoor krijg je natuurgebieden die eigenlijk maar half beschermd zijn.”
Volgens hem zou het effectiever zijn om beschermingsmaatregelen beter op elkaar af te stemmen. “Als je verschillende verstorende activiteiten gezamenlijk uitsluit in een bepaald gebied, creëer je echt een robuust beschermd ecosysteem.”
Hij hoopt dat zijn onderzoek bijdraagt aan een meer samenhangende benadering van natuurbeheer in de Waddenzee. “De Waddenzee heeft niet voor niets de status van UNESCO-Werelderfgoed. Dan moet de bescherming in de praktijk daar ook echt bij aansluiten.”
Zelf blijft Meijer voorlopig actief in het onderzoek naar mariene ecosystemen. Momenteel werkt hij als postdoc bij het Helmholtz Institute for Functional Marine Biodiversity in Duitsland, waar hij onderzoek doet naar functionele biodiversiteit in het gehele Waddengebied tussen Nederland en Denemarken.
Een terugkeer naar tropische koraalriffen staat voorlopig niet op de planning. “Voor vakantie zijn de tropen prachtig,” zegt hij lachend. “Maar ik zit hier goed in de Waddenzee.”

 

Martinus van Marumprijs voor Bregje de Wildt: “Je hebt veerkracht nodig”

Martinus van Marumprijs voor Bregje de Wildt: “Je hebt veerkracht nodig”

Bregje de Wildt ontvangt op 9 juli 2025 de KHMW Martinus van Marum Proefschriftprijs voor Natuurwetenschappen en Techniek in de categorie Life Sciences and Technology. Ze promoveerde aan de Technische Universiteit Eindhoven op onderzoek naar het verder ontwikkelen van tissue engineering-technieken voor het kweken van menselijk botweefsel in het laboratorium. Inmiddels werkt ze in Zürich aan haar tweede postdoc.

 

Bregje de Wildt / foto: Vincent van den Hoogen

Wat is tissue engineering precies?
Er bestaat eigenlijk nog geen goede Nederlandse vertaling voor deze term. Kort gezegd gaat het om het maken van lichaamseigen weefsels in het laboratorium. Daarvoor gebruik ik menselijke voorlopercellen: cellen die nog niet zijn uitgespecialiseerd en dus nog kunnen uitgroeien tot bijvoorbeeld botcellen.

Waarom is dat belangrijk voor ziektes als osteoporose?
Aanvankelijk was tissue engineering bedoeld voor regeneratie: beschadigd weefsel herstellen door een gekweekt weefsel te implanteren. Maar in de praktijk blijkt dat implanteren bij botweefsel nog niet heel succesvol is. We hebben wel heel veel geleerd van dit onderzoek en die kennis wordt nu toegepast om de gekweekte weefsels in te zetten als in vitro-model: een model van menselijk botweefsel buiten het lichaam, waarmee we medicijnen kunnen testen en verschillen tussen patiënten kunnen onderzoeken.

Zo’n model biedt een gecontroleerde omgeving waarin we veel gerichter kunnen kijken naar de werking van bijvoorbeeld een medicijn. Bij dierproeven is de omgeving lastiger te controleren – bovendien wijken dierlijke cellen af van menselijke cellen. Met menselijke cellen in een laboratoriummodel krijg je dus op kleine schaal een realistischer beeld van de menselijke fysiologie.

Mijn doel is om in vitro-botmodellen te maken op basis van cellen van patiënten met osteoporose (botontkalking). Zo kun je in detail bestuderen wat er misgaat bij verschillende patiëntgroepen en daar gerichter behandelingen voor ontwikkelen.

Kunnen deze kweekmodellen dierproeven vervangen?
Niet helemaal – nog niet. Volgens de huidige regels moeten nieuwe medicijnen nog altijd ook op dieren worden getest. Bovendien is een in vitro-model een gecontroleerde omgeving, waarin bepaalde factoren – zoals hormonen of het immuunsysteem – moeilijk na te bootsen zijn omdat ze afhankelijk zijn van de communicatie tussen verschillende organen. Maar laboratoriummodellen kunnen wél iets wat in dierproeven lastig is: ze geven ons inzicht in menselijke variatie en fysiologische processen. En ze zijn dus een waardevolle aanvulling op bestaande onderzoeksmethoden.

Wat is ervoor nodig om dit soort modellen ook echt te gebruiken in de praktijk?
Dat is een goede vraag. Voor bijvoorbeeld kanker en taaislijmziekte wordt er al geëxperimenteerd met gepersonaliseerde modellen om gericht (patiënt-specifiek) te kunnen behandelingen. Voor een ziekte als osteoporose – die heel veel voorkomt – is het lastiger om per patiënt een individueel laboratoriummodel te maken. Dat is simpelweg te kostbaar. Daarom wil ik mij in de toekomst richten op het gebruik van in vitro-modellen voor het onderscheiden van verschillende subgroepen, bij bijvoorbeeld osteoporose, die baat zouden kunnen hebben bij een specifieke behandeling.

Ik denk dus niet dat deze in vitro-modellen direct in het ziekenhuis zullen worden ingezet, maar ze kunnen wél helpen bij het nemen van betere behandelbeslissingen – bijvoorbeeld door de endocrinoloog.

Je werkt nu in Zürich. Heeft dat te maken met je vervolgonderzoek?
Ja en nee. Ik zit in mijn tweede postdoc, opnieuw bij ETH Zürich. Mijn eerste postdoc ging over het 3D-printen van botstructuren – om laboratoriummodellen te maken die qua vorm en samenstelling nog beter lijken op echt bot. In mijn huidige postdoc ben ik wat afgeweken naar peesweefsel. Ik werk nu bij een orthopedische kliniek (ook deel van ETH Zürich) en kijk of we patiëntgegevens en laboratoriummodellen met elkaar kunnen verbinden. Dus: kunnen we in een kweekschaalsetting nabootsen wat we in de patiënt zien?

Is Zürich een toplocatie voor dit soort onderzoek?
Voor bot- en peesonderzoek absoluut. Mijn verblijf hier heeft me erg geholpen om mijn eigen onderzoekslijn en wetenschappelijke identiteit verder te ontwikkelen.

Wat was het belangrijkste inzicht uit je promotieonderzoek?
Dat het nabootsen van botweefsel buiten het lichaam ongelooflijk complex is. Ik heb gewerkt met verschillende celtypen, die samen moesten functioneren zoals in het lichaam. Je kunt dat beïnvloeden via het kweekmedium – de “voeding” van de cellen – of via mechanische prikkels, zoals druk of rek. Ik werkte met een scaffold, een soort sponsje van gemineraliseerd eiwit en mineraal, dat de botstructuur nabootst. Alles moet kloppen: de juiste cellen, de juiste omgeving, en de juiste balans tussen botopbouw en -afbraak. Die balans bereiken was de grootste uitdaging, en dat is tot op zekere hoogte wel gelukt.

Is onderzoek doen een kwestie van trial and error?
Zeker. Mijn aanpak is deels systematisch, deels intuïtief. Ik begin met goed doordachte plannen, maar uiteindelijk moet je veel proberen in het lab. Als iets werkt, moet je dóór. Werkt het niet, dan ga je terug naar de tekentafel. Je hebt veerkracht nodig.

 Had je binnen je promotietraject voldoende ruimte voor die aanpak?
Ja, absoluut. Ik heb veel vrijheid gekregen. Dat gaf ruimte voor creativiteit – en dat is essentieel. Want zonder ruimte om nieuwe dingen te proberen, komt er ook weinig echt vernieuwends uit. Ik heb van mijn begeleiders altijd het volle vertrouwen gekregen. Daar ben ik zeer dankbaar voor.

 

  • Klik hier voor informatie over de prijsuitreiking op woensdag 9 juli. Deze bijeenkomst is voor leden van de KHMW, prijswinnaars en genodigden.