Eddie Brummelman, winnaar Mercator Sapiens Stimulus 2026: “Ontwikkelingspsychologie en pedagogiek zijn hoopgevende disciplines”

Eddie Brummelman, winnaar Mercator Sapiens Stimulus 2026: “Ontwikkelingspsychologie en pedagogiek zijn hoopgevende disciplines”

Met de Mercator Sapiens Stimulus van 1 miljoen euro start ontwikkelingspsycholoog en pedagoog Eddie Brummelman (UvA) het onderzoeksproject Generatie Hoop. Centraal staat de vraag welke impact economische ongelijkheid op kinderen heeft, en hoe wij hen kunnen ondersteunen om op te groeien tot een hoopvolle generatie.

 

Eddie Brummelman / Foto: Iris Duvekot

Enkele dagen na het telefoontje met het goede nieuws is hij er nog steeds beduusd van. “Het voelt heel bijzonder om zoveel vertrouwen te krijgen. Want het is een teken van vertrouwen, en dat krijg je niet vaak.”


Van individu naar collectief

Eddie Brummelman is van huis uit psycholoog. Als adolescent was hij al geïnteresseerd in de psychoanalyse en het werk van Sigmund Freud. “Wat ik fascinerend vond, was dat het liet zien hoe ervaringen die kinderen heel vroeg in hun leven hebben, diepe en blijvende sporen kunnen nalaten.”

Die vroege fascinatie leidde tot vragen die hem tot op de dag van vandaag bezighouden. Welke betekenis geef je aan ervaringen in je kindertijd? Hoe vormen ze vervolgens je latere leven? En misschien wel de kernvraag: hoe kunnen we kinderen helpen om die betekenis bij te sturen of te veranderen?

Brummelman kreeg internationale bekendheid met zijn onderzoek naar het ontstaan van narcisme. Vroeger werd gedacht dat narcisme alleen bij volwassenen voorkwam. Maar doordat Brummelman en zijn team een methode ontwikkeld hadden om narcisme te meten, konden ze vaststellen dat het verschijnsel al bij kinderen voorkwam. “In de jaren zeventig werd vaak gedacht dat grote maatschappelijke problemen voortkwamen uit lage zelfwaardering, en dat we die zelfwaardering op school en thuis vooral moesten opkrikken door kinderen te vertellen hoe geweldig ze waren. Maar ons onderzoek liet zien dat bepaalde vormen van prijzen en kinderen op een voetstuk zetten ook averechts konden werken.”

Gaandeweg begon hij zich echter steeds ongemakkelijker te voelen bij een exclusieve focus op het individu. Hij zag namelijk hoe sterk het zelfbeeld van kinderen gekleurd wordt door sociaaleconomische omstandigheden. “Kinderen die in armoede of in een kansarme context opgroeien, hebben vaak een lagere zelfwaardering en minder zelfvertrouwen. Ze vinden zichzelf minder waardevol dan anderen en denken dat ze minder talentvol zijn, ook als dat in werkelijkheid niet zo is.”

Dit inzicht riep bij Brummelman de vraag op waar het zelfbeeld van een kind ontstaat, en hoe we onze kennis van die oorsprong kunnen gebruiken om kansengelijkheid te vergroten.

 
Waarom het zelfbeeld ertoe doet

“Ons zelfbeeld is uniek”, zegt Brummelman. “Wij zijn de enige diersoort met een zo ver ontwikkeld beeld van onszelf. Een realistisch zelfbeeld is nodig om te functioneren, maar in de praktijk zien we dat mensen met een opgeblazen zelfbeeld soms ver komen – denk aan hoe mensen met narcistische trekken vaak op leiderschapsposities komen, zelfs als ze niet bekwaam zijn – terwijl mensen met een negatief zelfbeeld ten onrechte kansen mislopen. Wie niet begrijpt hoe zo’n zelfbeeld in de vroege kindertijd tot stand komt, loopt het risico dat het later een belemmering wordt en de horizon van het leven onnodig versmalt.”

Juist daar ziet Brummelman de kracht van ontwikkelingspsychologie en pedagogiek. “Het zijn hoopgevende disciplines. Je kunt ingrijpen op het moment dat kinderen hun zelfbeeld, mensbeeld en wereldbeeld nog vormen. Je kunt ze op een ander traject zetten door op het juiste moment de juiste sturing te geven.”


KiDLAB

Die overtuiging krijgt vorm binnen KiDLAB, Brummelmans interdisciplinaire onderzoekslab met promovendi, postdocs, onderzoeksmasterstudenten en junior onderzoekers. “Het doel van KiDLAB is jonge, gepassioneerde wetenschappers samenbrengen die onderzoek doen op de grenzen van disciplines, met name naar hoe het zelfbeeld ontstaat en hoe we die kennis kunnen gebruiken om kansengelijkheid te vergroten”, vertelt hij. “Iedere onderzoeker werkt aan een eigen project, maar er is ook nadrukkelijk ruimte voor gezamenlijke vragen en samenwerking. Daarnaast speelt outreach een belangrijke rol, onder meer via het platform Lil’Scientist.”


Lil’Scientist

Lil’Scientist ontstond in reactie op klassieke vormen van wetenschapscommunicatie. Brummelman: “Veel wetenschapscommunicatie is eenrichtingsverkeer: wetenschappers die voor de klas vertellen hoe wetenschap werkt, soms zelfs in toga. Dan geef je kinderen onbedoeld de boodschap dat zij kennis missen, terwijl zij juist geboren wetenschappers zijn. Bovendien bereik je dan vooral kinderen die al veel kansen krijgen en al vaak in aanraking komen met wetenschap. Wij wilden tweerichtingsverkeer, waarbij kinderen achter het stuur zitten en wetenschappers op de achterbank. En we wilden kinderen bereiken die minder kansen krijgen dan anderen.”

Samen met de IMC Weekendschool en De Jonge Akademie ontwikkelde Brummelman een citizen science-platform waarin kinderen actief meedenken en meedoen. “Een belangrijk doel van Lil’Scientist is het doorbreken van stereotypen. Als je kinderen vraagt een wetenschapper te tekenen, tekenen ze vaak een oude witte man met bril, labjas en reageerbuisjes, alleen in een laboratorium. Dan gaan we het gesprek aan: waar zijn jonge mensen, waar zijn mensen van kleur, waar zijn vrouwen, waar zijn andere disciplines, waar is het team?”

Ook laat Lil’Scientist kinderen zien dat wetenschap geen aangeboren talent is, maar een vaardigheid die je kunt ontwikkelen. “Zo krijgen kinderen een inclusiever beeld van wie wetenschapper kan zijn en wat wetenschap doet.”

 
Interdisciplinair én transdisciplinair

Generatie Hoop, het onderzoeksproject dat Brummelman met de Mercator Sapiens Stimulus kan uitvoeren, is inter- en transdisciplinair opgezet. “Als je wilt begrijpen hoe kinderen opgroeien in een ongelijke wereld, heb je pedagogen en ontwikkelingspsychologen nodig. Maar ook sociologen, economen en sociaalgeografen die de bredere context in kaart brengen: school, buurt, gemeente, land.”

Daarnaast zijn geesteswetenschappers onmisbaar. “Zij hebben unieke expertise over narratieven die kinderen al jong meekrijgen via films, televisie, kinderboeken en sociale media, en welke verhalen daar tegenover gezet kunnen worden die hoopgevend zijn.”

Ook kunst speelt een rol. “Kunst kan het verbeeldings- en inlevingsvermogen van kinderen aanspreken en hen op een niet-conventionele manier laten denken”, weet Brummelman uit eerder onderzoek met theater en andere kunstvormen.

Transdisciplinariteit betekent bovendien samenwerking met maatschappelijke partners. “Organisaties als IMC Weekendschool hebben kennis over hoe je kinderen met een kansarme achtergrond bereikt en hoe je dat opschaalt. Ik wil de brug slaan tussen wetenschap en samenleving, en het echt een wisselwerking laten zijn.”

Geen zendmodus dus, maar dialoog. En daar horen kinderen nadrukkelijk in thuis.


Verwondering als drijfveer

Werken in interdisciplinaire teams ervaart Brummelman als intens en inspirerend. “Dan ervaar ik verwondering, een emotie die kinderen volgens ons onderzoek al jong ervaren. Je voelt je klein, zoals wanneer je ’s nachts naar de hemel kijkt. Er is zóveel kennis buiten mijn eigen veld. Dat plaatst mijn werk in perspectief en biedt kansen om bruggen te slaan.”

Het is ook moeilijk. Interdisciplinair onderzoek kost tijd, voorbereiding en middelen. Maar juist die traagheid ziet hij als waardevol. “Door blootstelling aan andere disciplines besef je wat er allemaal is en wat je nog niet meeneemt in je eigen werk.”

 
Ongelijkheid door kinderogen

Kinderen groeien op in een wereld van toenemende economische ongelijkheid, en ook in Nederland zien ze die ongelijkheid dagelijks terug, op straat, in de klas, op sociale media, op televisie en in boeken. Toch is er nog opvallend weinig bekend over hoe zij die ongelijkheid ervaren.

Brummelman: “Lang is gedacht dat kinderen het niet waarnemen. Dat is een naïeve opvatting. Steeds meer onderzoek suggereert dat kinderen wel degelijk ongelijkheid waarnemen vanaf jonge leeftijd, en onze hypothese is dat het blijvende gevolgen kan hebben.”

Ongelijkheid versmalt namelijk het verbeeldingsrepertoire. “Als je opgroeit in armoede en je ziet dat maar een klein aantal mensen succesvol kan zijn, dan denk je: dat is nooit voor mij weggelegd.” Maar ook voor kinderen uit rijke gezinnen kan ongelijkheid nadelig zijn. “Kinderen uit rijke gezinnen kunnen denken dat ze succesvol móéten zijn, binnen een heel smalle definitie van succes. Dat leidt tot prestatiedruk, angst en depressie.”

 
Ambities

Met Generatie Hoop wil Brummelman voor het eerst systematisch onderzoeken hoe kinderen economische ongelijkheid ervaren. “Welke betekenis geven ze eraan? Hoe doen ze dat in interactie met leeftijdsgenoten, ouders en leraren? En wat hebben ze nodig om hoopvol op te groeien in deze tijden van ongelijkheid?”

Het project moet ook een maatschappelijke discussie op gang brengen. “Hoe laten we de wereld zo goed mogelijk achter voor de volgende generatie? En hoe zetten we hun stem nu al centraal, zodat ze niet hoeven te wachten tot ze volwassen zijn?”

De ambities reiken verder dan academische publicaties. Brummelman zou heel graag een kinderboek over ongelijkheid maken. En hij wil Lil’Scientist uitbreiden, zodat zowel kinderen met een kansarme als kinderen met een geprivilegieerde achtergrond een stem krijgen. Hij gaat ook in gesprek met internationale organisaties als UNICEF en de OECD. “Daarnaast lijkt het me prachtig om samen met jeugdtheaterscholen een theatervoorstelling te maken, om kinderen en publiek samen te laten nadenken over wat het betekent om op te groeien in een ongelijke wereld.”

Een belangrijk uitgangspunt van Generatie Hoop is het doorbreken van meritocratisch denken. “In de westerse wereld denken we vaak: als jij meer hebt dan ik, dan heb je harder gewerkt of ben je slimmer. Daardoor missen kinderen de structurele oorzaken van ongelijkheid.” Brummelman pleit voor een structurele bril. “Als kinderen begrijpen dat het speelveld ongelijk is, krijgen ze juist handelingsperspectief. Zelfs in hun eigen, nog kleine wereld kunnen ze verschil maken. Als ze zien dat één kind in de klas altijd met een lege maag naar school komt, kunnen ze daar samen iets aan doen.”

 
Wetenschap en samenleving

Brummelman is op dit moment ook voorzitter van De Jonge Akademie. Wetenschappers hebben ook een publieke taak, vindt hij. “Academische vrijheid komt niet vanzelf. Die moet beschermd worden. Publieke investeringen in wetenschap zijn mogelijk omdat mensen belasting betalen. In die zin hebben wetenschappers de verantwoordelijkheid om de waarde van wetenschap actief uit te dragen.”

Daarbij is het volgens Brummelman belangrijk dat wetenschappers niet alleen zenden, maar ook de dialoog aan gaan. “Wantrouwen komt vaak voort uit psychologische afstand. Die afstand kun je verkleinen door mensen een kijkje in de keuken van de wetenschap te geven. Dat kan op televisie, maar ook in het buurthuis, op straat of in de sportschool.”

De situatie van jonge academici baart hem zorgen. “Dit is een van de moeilijkste periodes in decennia. Bezuinigingen hebben geleid tot minder postdocplekken, minder vaste aanstellingen en het verdwijnen van opleidingen. Steeds meer mensen concurreren om steeds minder kansen.”

Toch is er ook hier perspectief. “Als jonge onderzoekers zich actief verenigen en mobiliseren, kunnen ze een krachtig geluid laten horen. Wij moeten er samen voor zorgen dat wetenschap hoog op de agenda komt.”


Eerste-generatiewetenschapper

Brummelmans betrokkenheid bij kansengelijkheid is ook persoonlijk. “Ik ben eerstegeneratiewetenschapper. Toen ik ging studeren en later promoveren, betrad ik een wereld die ik niet kende en waarin ik zelf mijn weg moest vinden.”

Juist daarom voelde de wetenschap voor hem aanvankelijk als een meritocratische haven: “Eindelijk een plek waar hard werken één op één beloond werd.”

Maar zijn postdoc in Stanford, een plek waar rijkdom en privilege samenkomen, was een kantelpunt. “Ik besefte dat de wetenschap geen meritocratie is. Er zijn zoveel eerstegeneratiewetenschappers, en anderen met een kansarme achtergrond, die niet de kansen krijgen die ze verdienen. Hoe verder je komt, hoe duidelijker dit beeld wordt. Daarom schreef ik met De Jonge Akademie het rapport Niet de Eerste de Beste, over eerstegeneratiewetenschappers.”

De ervaring voedt zijn inzet. “Ik wil wetenschap toegankelijk maken voor de samenleving en me inzetten voor kansengelijkheid. En ik wil de academie een plek maken waar mensen met verschillende achtergronden kunnen landen. We hebben alle talent hard nodig, vooral als we een wereld willen smeden die de volgende generatie hoop geeft.”