John Collins: “Wetenschappers zijn veerkrachtig”
John Collins, winnaar van de KHMW Jong Talent Afstudeerprijs voor Life Sciences, brengt een bijzondere mix van business, biotech, engineering en ruimteonderzoek mee. De jonge Canadees wil de zware industrie verduurzamen, nieuwe wetenschappelijke inzichten ontgrendelen en grenzen verleggen – in het lab én daarbuiten.
Je hebt een indrukwekkend cv. Wanneer besloot je je echt op de wetenschap te richten?
Ik begon met een bachelor in bedrijfskunde. Op een gegeven moment besefte ik dat ik een bedrijf wilde starten, omdat ik dacht dat dat de beste manier was om een verschil te maken in de wereld. Maar ik stuitte op een grens – je kunt dat niet echt effectief doen als je alleen een economische achtergrond hebt.
Toen ik bedrijfskunde studeerde, wilde ik eigenlijk arts worden. Maar die weg voelde te beperkend – je zit vast aan ziekenhuissystemen en protocollen. Startups daarentegen zijn open-ended. Daar kun je vaardigheden uit business, engineering en wetenschap combineren. Ik heb er bewust naar gestreefd om over al deze disciplines te kunnen communiceren. Als dat me een bepaald terrein niet lukt, weet ik dat ik daar meer over moet leren.
Vind je dat de academische wereld deze interdisciplinaire aanpak inmiddels voldoende aanvaard heeft, of zitten sommige mensen nog vast in traditionele disciplines?
We maken vooruitgang. Anders dan twintig jaar geleden betreden steeds meer mensen de academische wereld tegenwoordig zonder de intentie om er voor altijd te blijven hangen.
Samenwerking tussen disciplines is essentieel – veel AI-doorbraken zijn bijvoorbeeld geïnspireerd door de menselijke biologie. Tegelijkertijd blijft diepgaande expertise noodzakelijk. Fundamenteel onderzoek zonder directe toepassing leidt vaak tot ontdekkingen die de toekomst vormgeven. Beide benaderingen zijn belangrijk, en ik ben blij dat we deze richting op gaan.
Mijn doel is om ongeveer 80% vaardig te zijn in veel gebieden, in plaats van 99% in één. Ik wil specialisten kunnen aansturen en hun manier van denken begrijpen.
Wat is je uiteindelijke doel?
Ik maak me zorgen over de impact van de zware industrie op het klimaat en ecosystemen. Ik zie een bedrijf voor me dat de CO2-uitstoot van de zware industrie kan verlagen én de gezondheid van mens en planeet kan verbeteren. Ik beschouw de aarde als een gesloten ecosysteem – als een soort ruimtecapsule – waarin we bewust moeten omgaan met koolstofdioxide, zuurstof en afval.
Je groeide op in Canada. Wat bracht je naar Nederland?
Ik zeg graag dat ik voor de liefde kwam – mijn partner studeerde aan de Universiteit Utrecht. Maar professioneel gezien was de opleiding die ik hier kon doen perfect: interdisciplinair, met zowel computationeel werk als labwerk. Nederlandse masterprogramma’s zijn uniek. Ze bieden een combinatie van colleges en praktische onderzoekservaring die je in Canada niet tegenkomt.
Dankzij de Vrije Universiteit en de Universiteit van Amsterdam kon ik een gezamenlijke master volgen aan beide universiteiten. De VU regelde het grootste deel van de administratie, maar ik profiteerde van beide campussen – met docenten in systeembiologie en mariene microbiologie en met uiteenlopende perspectieven.
En natuurlijk is Nederland een prachtig land.
Waar ging je onderzoek over?
We onderzochten microben die op plastics in de oceaan leven, op verschillende soorten plastic en over langere tijd. Met computationele technieken volgden we hoe deze microbiële gemeenschappen zich ontwikkelden. Interessant genoeg zagen we dat microben op biologisch afbreekbare plastics relaties vormen die mogelijk bijdragen aan hun afbraak – relaties die we niet zien bij fossiele plastics. We bereiden nu een publicatie over dit onderzoek voor.
Je liep stage bij de European Space Agency, waar je werkte aan microben die bioplastics afbreken in de ruimte. Hoe was dat?
Fantastisch. Het ESA is een geweldig instituut. In mijn werk hield ik me bezig met materialen op aarde en hun tegenhangers in de ruimte. De omgeving, de mensen, de wetenschap – alles was inspirerend.
Je hebt de Kilimanjaro beklommen, een halve Ironman gedaan en vier marathons gelopen. Beïnvloedt die mindset je onderzoek?
Zeker. Deze uitdagingen leerden me doorzettingsvermogen. Als je 35 kilometer in een marathon zit of zes dagen onderweg bent op de Kilimanjaro, leer je niet op te geven – ook niet als het zwaar wordt. Die mentaliteit neem ik mee in mijn onderzoek. Wetenschappers zijn veerkrachtig, en dat probeer ik ook te zijn.
Je onderzoek veranderde je oorspronkelijke hypothese over plasticafbrekende microben. Hoe voelde dat?
Verrassend en nederigstemmend. Ik verwachtte dat de afbrekende microben het ecosysteem zouden domineren omdat zij een unieke voedselbron hadden, maar ze bleken juist secundaire spelers. De meeste initiële hypothesen blijken niet te kloppen – en dat is een belangrijke les voor jonge wetenschappers.
Moeten wetenschappers opener zijn over ‘negatieve’ resultaten?
Absoluut. Publicaties lijken vaak perfect, maar zijn gebouwd op jaren van mislukte experimenten. Het delen van mislukkingen – wat niet werkte en waarom je bijstuurde – zou veel inzicht geven in hoe wetenschap werkelijk werkt.
Collega’s beschrijven je als gedreven en nieuwsgierig. Hoe houd je dat vast?
Het zit in mijn natuur. Mijn ouders waren onderwijzers. Zij moedigden me altijd aan om vragen te stellen en op onderzoek uit te gaan. Ik zie de wereld nog steeds als iets waarvan ik veel kan leren.
Wil je nog iets toevoegen?
Voor mij is het cruciaal geweest om te netwerken en kansen actief op te zoeken. Zo kreeg ik de kans om stage te lopen bij het ESA doordat ik al maanden eerder contact had gezocht. Je kunt uitkomsten niet voorspellen, dus je kunt maar beter alles doen om de kansen in jouw voordeel te laten werken.

