Rahel Koch: “Het herframen van Ozempic miskent de waarde van diverse menselijke lichamen”

Rahel Koch: “Het herframen van Ozempic miskent de waarde van diverse menselijke lichamen”

ENGLISH TRANSLATION

Wat gebeurt er wanneer een geneesmiddel de kliniek verlaat en onderdeel wordt van de populaire cultuur? In haar bekroonde scriptie Pharmaceuticalizing Thinness: The Social Construction of Ozempic onderzoekt Rahel Koch hoe een diabetesmedicijn de belichaming is geworden van hedendaagse slankheidsidealen. Vanuit een interdisciplinair perspectief ontrafelt zij de sociale, culturele en politieke krachten die de publieke betekenis van Ozempic vormgeven, en de bredere implicaties daarvan voor lichaamsnormen en gezondheid.

 

Wanneer besefte je dat het verhaal van Ozempic niet alleen over geneeskunde ging, maar over iets veel breders in de samenleving?

Dat besef kwam eigenlijk vrij snel. Nog voordat ik met mijn scriptie begon, werd Ozempic al volop besproken in het publieke discours. Ik herinner me levendig dat ik er een paar jaar geleden voor het eerst mee in aanraking kwam via een YouTube-video van een modecommentator. Zij sprak over de terugkeer van modetrends uit het begin van de jaren 2000, die sterk verbonden zijn met een extreem slank lichaamsideaal, vaak aangeduid als “heroin chic”. In die context noemde ze expliciet Ozempic als een middel dat mensen gebruikten om dat uiterlijk te bereiken.

Net als veel anderen leerde ik Ozempic dus niet kennen als diabetesmedicijn – het oorspronkelijke doel – maar vrijwel meteen als afslankmiddel, en meer specifiek als cosmetisch afslankmiddel. Die framing maakte al duidelijk dat hier meer speelde dan alleen een medisch verhaal.

Welke partijen waren verantwoordelijk voor het herframen van Ozempic als afslankmiddel?

In mijn onderzoek analyseerde ik een breed scala aan actoren en belangengroepen, waaronder de farmaceutische industrie, toezichthoudende instanties, medische tijdschriften, patiëntenorganisaties, beroemdheden, TikTok-gebruikers en de media. Wat heel duidelijk werd, is dat het herframen van Ozempic niet uitsluitend door de farmaceutische industrie is ingezet, maar dat die industrie haar aanzienlijke economische en politieke middelen wel actief heeft gebruikt om een grotendeels homogeen discours in haar voordeel te beïnvloeden, en je zou zelfs kunnen zeggen: te orkestreren. Het is belangrijk om te begrijpen dat deze herframing niet zomaar toevallig is ontstaan. Hoewel de afslankende werking aanvankelijk in een klinische context werd vastgesteld, is de latere nadruk op gewichtsverlies strategisch nagestreefd in het commerciële belang van de farmaceutische industrie.

Je koos de Verenigde Staten als primaire casestudy. Waarom juist die context?

Dat had deels pragmatische redenen: het gaat om een zeer complexe casus met een enorme hoeveelheid data, en door me te beperken tot één nationale context bleef het project behapbaar. Maar inhoudelijk was de Verenigde Staten ook bijzonder interessant. Er wordt gerapporteerd dat het gebruik van Ozempic daar uitzonderlijk hoog is, terwijl er tegelijkertijd veel onderzoek is dat laat zien dat de Amerikaanse cultuur een bijzonder sterke druk uitoefent om af te vallen, terwijl obesitas er ook zeer veel voorkomt.

Die spanning maakte de VS tot een fascinerende context om het herframen van Ozempic te bestuderen. Bovendien hebben trends in de VS vaak mondiale gevolgen. Veel van de media die we internationaal consumeren, komen daar vandaan, en studies laten zien dat met name de lichaamspraktijken van celebrities sterk beïnvloeden hoe mensen elders hun eigen lichaam waarnemen. In die zin is de VS niet alleen een casestudy, maar ook een actor die het mondiale discours actief vormgeeft.

Een centraal begrip in je scriptie is ‘pharmaceuticalization’. Hoe zou je dat begrip uitleggen, en waarom is het hier zo relevant?

Pharmaceuticalization verwijst naar het proces waarbij menselijke condities, vermogens of variaties worden herkaderd als kansen voor farmaceutische interventie. Dat kan om verschillende redenen en via verschillende mechanismen gebeuren.

Eén route is medisch of gemedicaliseerd: een menselijke conditie wordt dan gedefinieerd als een medisch probleem, zoals wanneer dik-zijn wordt aangemerkt als een ziekte die medische en later specifiek farmaceutische behandeling vereist. Een andere route is het gebruik van medicijnen om het lichaam te “verbeteren”, bijvoorbeeld om esthetische redenen. Een derde route is gezondheidsbevordering, waarbij farmaceutische interventie wordt gepresenteerd als een manier om toekomstige gezondheidsrisico’s te verkleinen, ook als er nog geen sprake is van ziekte.

In het geval van Ozempic helpt pharmaceuticalization te verklaren hoe gewichtsverlies zelf werd geconstrueerd als een legitiem en wenselijk doel van farmaceutische interventie. Belangrijk is dat Ozempic niet het eerste afslankmedicijn is, maar wel breed wordt gezien als revolutionair omdat het als zowel zeer effectief als relatief veilig wordt beschouwd. Die perceptie is cruciaal geweest voor het normaliseren van het idee dat afvallen met medicatie niet alleen mogelijk is, maar ook verantwoord en zelfs de vanzelfsprekende keuze.

Is Ozempic werkelijk zo veilig als vaak wordt voorgesteld?

Over het algemeen wordt het als relatief veilig beschouwd, maar dat betekent niet dat het zonder risico’s is. Er zijn meldingen van maag-darmklachten, mogelijke verbanden met pancreatitis, en gevallen van depressie en suïcidale gedachten. Er lopen ook rechtszaken over bijwerkingen.

Wat belangrijk is om te benadrukken, is dat Ozempic nog een relatief nieuw medicijn is. Sommige risico’s worden pas zichtbaar wanneer geneesmiddelen gedurende langere tijd door zeer grote groepen mensen worden gebruikt. In dit stadium is het daarom juister om te zeggen dat er bijwerkingen bestaan en dat er onzekerheid blijft, dan om te spreken van definitieve veiligheid.

Welke rol spelen sociale media en beroemdheden in de totstandkoming van het publieke beeld van Ozempic?

Zij maken allemaal deel uit van hetzelfde netwerk. Hoewel celebrities, influencers en gebruikers van sociale media onafhankelijk lijken, is er bewijs dat farmaceutische bedrijven voorschrijvers, patiëntenorganisaties en influencers financieren om het middel te promoten. Dat is geen nieuwe tactiek, maar iets wat ook bij eerdere marketingcampagnes voor andere medicijnen is waargenomen.

Hoewel ik niet alle financiële verbanden definitief kon traceren, was het discours binnen deze groepen opvallend homogeen. Dat wijst sterk op gecoördineerde beïnvloeding, ook wanneer directe financiële sporen soms moeilijk vast te stellen zijn.

Je laat zien hoe steeds nieuwe groepen mensen als patiënten worden geframed. Wat zijn de bredere maatschappelijke implicaties daarvan?

Dit is een zeer ambivalente ontwikkeling. Enerzijds kan het framen van bepaalde condities als medische problemen toegang tot behandeling bieden en individuele schuld verminderen. Als obesitas bijvoorbeeld wordt gezien als een medische aandoening in plaats van een persoonlijk falen, kan dat stigma deels verminderen.

Anderzijds betogen veel onderzoekers dat medische labels in de praktijk vaak weinig doen om stigma daadwerkelijk te verminderen. We leven in een samenleving van zelfoptimalisatie waarin (de schijn van) gezondheid sterk wordt gewaardeerd. Zelfs wanneer obesitas wordt gemedicaliseerd, kunnen mensen nog steeds worden beoordeeld omdat zij zogenaamd niet voldoende verantwoordelijkheid nemen voor hun gezondheid.

Sommige onderzoekers gaan nog verder en stellen dat het labelen van dik-zijn als ziekte gewichtsstigma juist kan verergeren, omdat dikke lichamen daarmee worden geframed als pathologisch, als iets dat genezen en dus uitgeroeid moet worden. Die logica versterkt associaties tussen dik-zijn, afwijking en tekortkoming.

Publieke reacties op Ozempic variëren van enthousiasme tot verontwaardiging. Wat viel je het meest op in het publieke debat?

De extreme polarisatie. Aan de ene kant zijn er sterk jubelende verhalen die de transformerende potentie van Ozempic benadrukken, vooral in relatie tot de aanpak van de obesitasepidemie. Aan de andere kant is er felle morele verontwaardiging en kritiek op de culturele implicaties, zoals de terugkeer van normatieve slankheid.

In mijn dataset domineerden de jubelende verhalen, maar recent zien we een groeiende tegenreactie, zowel op een cultureel constructieve als op een zinloos destructieve manier. Zo zijn er steeds meer meldingen van Ozempic-gebruikers die online positieve ervaringen delen en vervolgens grote hoeveelheden haatreacties ontvangen en te maken krijgen met cyberpesten. De controverse is nog volop gaande en blijft zich ontwikkelen.

Wat hoop je dat beleidsmakers, onderzoekers en het brede publiek meenemen uit je onderzoek?

Er zijn twee belangrijke lessen. Ten eerste: hoewel de farmaceutische industrie onmiskenbaar levensreddende medicijnen ontwikkelt, beschikt zij ook over enorme macht die onvoldoende wordt gereguleerd. De casus Ozempic laat zien hoe economische en politieke middelen kunnen worden ingezet om commerciële belangen te bevorderen die niet noodzakelijk samenvallen met het belang van de volksgezondheid. Met name sluikreclame, zoals niet-openbare influencerpromoties, vraagt om strengere regulering.

Ten tweede valt de opkomst van Ozempic samen met een zorgelijke culturele verschuiving weg van body positivity en richting een hernieuwde handhaving van slankheid als dominante norm. Gewichtsstigma is niet alleen een gezondheidskwestie, maar ook een kwestie van sociale rechtvaardigheid. Het is diep verweven met andere vormen van systemische onderdrukking die geworteld zijn in koloniaal raciaal kapitalisme, waarin witte, mannelijke, valide en slanke lichamen historisch als superieur worden geconstrueerd. Het herframen van Ozempic als afslankmiddel versterkt deze normen en houdt een systeem in stand dat de diversiteit van menselijke lichamen niet erkent en niet waardeert.

Je scriptie krijgt veel lof vanwege de precisie en de zorgvuldige omgang met bestaande literatuur. Hoe balanceer je als onderzoeker kritische analyse met recht doen aan het werk van anderen?

Voor mij komt dat neer op het hanteren van een vrij eenvoudige maar rigoureuze wetenschappelijke benadering. Ik probeer mijn data niet te verbuigen zodat ze netjes passen binnen bestaande theorieën of argumenten, zelfs niet wanneer die kaders invloedrijk of breed geaccepteerd zijn. In plaats daarvan probeer ik het werk van andere onderzoekers zo nauwkeurig en respectvol mogelijk weer te geven, en vervolgens duidelijk te maken waar mijn bevindingen aansluiten bij of juist afwijken van hun conclusies. In mijn ogen zijn zulke afwijkingen geen zwakte, maar juist een belangrijk resultaat op zich.

Ik vind het soms wel lastig wanneer de empirische werkelijkheid waarmee ik werk veel rommeliger blijkt dan de heldere argumenten die je idealiter zou willen formuleren. Op zulke momenten herinner ik mezelf eraan dat nuance geen gebrek is, maar een kracht. De sociale werkelijkheid is zelden zwart-wit, en goed onderzoek schuilt volgens mij juist in het expliciet maken van die complexiteit en ambiguïteit, in plaats van ze glad te strijken.

Wat was de grootste methodologische uitdaging in dit project?

De omvang van de dataset. Het volgen van de discursieve constructie van een artefact vereist dat je met een zeer groot empirisch corpus werkt, omdat je complexe netwerken van actoren in de echte wereld probeert te ontrafelen die invloed uitoefenen op een innovatie. Er zijn altijd meer actoren die je zou kunnen meenemen, meer aspecten die je zou kunnen analyseren. De uitdaging was om deze hoeveelheid materiaal hanteerbaar te houden zonder te verdwalen in de details.

En hoe ben je daarmee omgegaan?

Eerlijk gezegd was dat heel moeilijk. Ik heb geprobeerd extreem systematisch te werken en mezelf voortdurend eraan te herinneren dat ik me moest richten op patronen in plaats van te verzanden in details. Ik werk ook heel visueel: ik print annotaties uit, gebruik verschillende kleuren potlood en breng thema’s letterlijk met de hand in kaart. Het zag er waarschijnlijk uit als een scène uit een detectivefilm, maar het hielp me om verbanden en structuur te zien.

Hoe belangrijk was een interdisciplinaire benadering voor je scriptie, en heeft dat je keuze voor de Universiteit van Maastricht beïnvloed?

Interdisciplinariteit was essentieel voor mijn scriptie en, breder gezien, voor mijn hele academische traject. Ik heb steeds ervaren dat problemen uit de echte wereld zich simpelweg niet netjes laten vangen binnen één discipline. Ze vanuit meerdere perspectieven benaderen, voelt daarom zowel noodzakelijk als intellectueel productief.

Dat was een belangrijke reden om voor de Universiteit van Maastricht te kiezen. In tegenstelling tot universiteiten in mijn thuisland bood Maastricht een werkelijk open model, waarin studenten inzichten uit verschillende vakgebieden konden combineren tot een samenhangend, zelf vormgegeven academisch profiel. Die flexibiliteit paste goed bij zowel mijn onderzoeksinteresses als mijn manier van denken.

Wat zijn je toekomstplannen?

Ik zou op termijn graag een promotietraject willen volgen. Tegelijkertijd maak ik me grote zorgen over de huidige staat van de academische wereld, zowel internationaal als in Nederland in het bijzonder. Aanzienlijke bezuinigingen hebben academische loopbanen steeds precairder gemaakt. Ik heb van dichtbij gezien hoe vrienden enorme hoeveelheden onbetaalde tijd – wat soms “hope labor” wordt genoemd – investeerden in het ontwikkelen van zeer verfijnde voorstellen voor postdoc- of universitair docentposities, om vervolgens te worden afgewezen omdat er simpelweg veel meer gekwalificeerde kandidaten zijn dan beschikbare plekken.

Dus hoewel een academische carrière een serieuze ambitie blijft, lijkt het mij verstandig om eerst werkervaring buiten de academie op te doen, zodat ik daar later eventueel op kan terugvallen. Op dit moment solliciteer ik daarom vooral naar functies bij denktanks en NGO’s, voortbouwend op mijn achtergrond in Science and Technology Studies. In het bijzonder ben ik geïnteresseerd in organisaties die werken op het snijvlak van digitalisering en (bedreigingen voor) mensenrechten.