Professor Peter Wakker (EUR) ontvangt de KHMW Van der Aa Oeuvreprijs 2026 voor zijn baanbrekende werk op het gebied van de gedragseconomie. Zijn specialisme is de zogenaamde ‘besliskunde’. Al meer dan veertig jaar onderzoekt hij hoe mensen keuzen maken. Die blijken vaak minder rationeel dan we denken.

U studeerde aanvankelijk wiskunde. Hoe bent u in de gedragseconomie terechtgekomen? 
Tijdens mijn studie specialiseerde ik me in statistiek, maar al vroeg had ik het gevoel dat de klassieke statistiek, zoals die meestal wordt onderwezen, niet klopte. Toen maakte ik kennis met de Bayesiaanse benadering van statistiek, en die sprak mij meteen aan. In de klassieke statistiek leert men dat je alleen over kansen kunt spreken bij herhaalbare gebeurtenissen, zoals bij muntworpen. Een docent zei bijvoorbeeld dat je niet kunt spreken over de kans dat er leven op Mars is, omdat dat geen herhaalbaar experiment is. Dat vond ik als student vreemd: ook bij een eenmalige gebeurtenis ben je onzeker, en die onzekerheid speelt mee in je beslissingen. Dit idee leidt tot een subjectief kansbegrip. Op een goed moment zette iemand me op spoor van de Bayesiaanse benadering, waarin dit begrip centraal staat. Vanaf dat moment wist ik: dit is de richting die ik op wil, en ik heb sindsdien geprobeerd om zoveel mogelijk mensen van dat perspectief te overtuigen.

Hoe kwam u vervolgens bij de economie terecht? 
Ik was in het begin op mezelf aangewezen. Ik had geen begeleiders die dit terrein kenden. Ze zeiden: als je dit wilt doen, prima, maar wij kunnen je niet helpen. Pas later wees iemand mij erop dat economen zich met zulke beslisprincipes bezighielden. Zo kwam ik via de statistiek in de economie en uiteindelijk in de gedragseconomie terecht.

U zocht dus al vroeg heel nadrukkelijk uw eigen weg. 
Ja, dat klopt. De meeste studenten komen terecht in een bestaand onderzoeksproject, onder leiding van een hoogleraar. Bij mij ging het anders. Ik had vanaf het begin mijn eigen vragen en intuïties, en dat maakte het lastig, want ik kende de academische wereld nog niet goed en wist niet goed hoe je je daarin moest bewegen. Het zag er een tijd zelfs naar uit dat mijn wetenschappelijke loopbaan zou mislukken. Gelukkig kwam ik iemand tegen die mij op weg hielp. Maar mijn pad is altijd afwijkend gebleven.
Overigens heb ik ook bewust een tijdlang buiten de universiteit gewerkt om praktijkervaring op te doen. Zo heb ik een jaar bij het Centraal Bureau voor de Statistiek gewerkt en acht jaar in een ziekenhuis, waar ik me bezighield met medische besliskunde. Dat vond ik belangrijk omdat ik mijn werk niet alleen vanuit een ivoren toren wilde doen.

Wat is het verschil tussen klassieke economie en gedragseconomie? 
In de klassieke economie wordt vaak aangenomen dat mensen zich als rationele rekenmachines gedragen: ze kiezen eenvoudigweg de optie die hun het meeste voordeel oplevert. Psychologische factoren spelen daarin nauwelijks een rol. Gedragseconomie neemt juist die psychologische inzichten wél serieus. Mensen handelen niet altijd consistent of rationeel; emoties, intuïties en misverstanden beïnvloeden hun keuzen.
Wat mij vooral aanspreekt in de gedragseconomie is dat zij de rationele principes uit de klassieke economie niet loslaat, maar ze als uitgangspunt neemt en vervolgens onderzoekt waar mensen daarvan afwijken. Juist in dat verschil kun je zien hoe menselijke besluitvorming verbeterd kan worden.

Wat is besliskunde precies? 
In mijn vakgebied gaat het vooral om situaties waarin mensen moeten kiezen en waarin niet alleen objectieve factoren een rol spelen, maar ook subjectieve. Neem de keuze tussen twee huizen. Dan kijk je naar prijs en ligging, maar ook naar minder grijpbare dingen: vind ik het een mooi huis, voel ik me hier prettig? Besliskunde ontwikkelt methoden om grip te krijgen op zulke subjectieve overwegingen.  

Kan dat echt: gevoelens en voorkeuren in getallen uitdrukken? 
Ja, het klinkt wonderlijk, maar het kan vaak heel goed, vooral door een geniaal idee van de Italiaan Bruno de Finetti uit de jaren dertig. Er zijn methoden om zulke afwegingen systematisch te maken.

Een belangrijk thema in uw werk is het onderscheid tussen risico en ambiguïteit.
In de economie spreken we van risico als kansen bekend zijn, en van ambiguïteit als de kansen onduidelijk of omstreden zijn. In de praktijk hebben we vaak met die tweede situatie te maken. Bij klimaatverandering bijvoorbeeld verschillen experts vaak sterk van mening over de precieze kansen op bepaalde scenario’s. Mensen zijn vaak al te bang voor risico’s, maar als kansen dan ook nog onzeker zijn, wordt dat effect nog sterker: ambiguïteit werkt verlammend.
Bij klimaatbeleid is dat bijvoorbeeld heel duidelijk. Als je nú maatregelen neemt, verklein je de kans op ernstige schade in de toekomst. Je neemt de onzekerheid niet weg, maar verkleint wel het risico. Veel mensen begrijpen niet goed wat zulke kansreducties betekenen omdat ze kansen niet goed begrijpen. Als de kans op een ramp van 40 naar 5 procent daalt, is dat in werkelijkheid heel belangrijk. Maar veel mensen ervaren dat alleen maar als: er kan nog steeds iets misgaan. Doordat mensen kansen niet goed aanvoelen, doen ze te weinig aan voorzorgsmaatregelen. 

Kunt u voorbeelden geven waar besliskunde toegepast wordt? 
Neem onze pensioenen. In Nederland hebben we enorme pensioenvermogens die belegd worden om later pensioenen uit te keren. Dan is het belangrijk dat dat verstandig gebeurt. Maar de gemiddelde Nederlander is te bang voor risico. Op de lange termijn is het vaak verstandig om een aanzienlijk deel van dat geld in aandelen te beleggen. Toch ontstaat er veel onrust zodra aandelen tijdelijk dalen. Dat soort reacties is emotioneel begrijpelijk, maar onverstandig. Daardoor worden pensioenfondsen te zeer beperkt in wat zij als verstandig beleid zouden moeten doen. Uiteindelijk kost die onredelijke angst voor risico en korte-termijnverliezen het hele Nederlandse volk veel geld.
Een ander voorbeeld is verzekeren. Ook daar zie je dat mensen vaak te bang zijn voor risico en zich daarom tegen te veel dingen verzekeren, zeker in Nederland, waar sprake is van grote oververzekering. Als gedragseconoom probeer ik mensen te overtuigen om alleen belangrijke dingen te verzekeren. Ik schat dat Nederlanders gemiddeld 0,5 procent inkomen verliezen omdat ze oververzekerd zijn.
In ziekenhuizen staat de besliskunde nog meer centraal dan in de economie. Stel dat een patiënt een behandeling nodig heeft met een kans van één op de miljoen op een ernstige bijwerking. Veel mensen schrikken dan en zien van de behandeling af, hoewel hij eigenlijk nodig is. Dat komt doordat mensen niet goed aanvoelen hoe klein één op de miljoen werkelijk is en het in hun beleving voelt als, zeg, één op de 500. Hetzelfde zie je bij loterijen, waar mensen extreem kleine kansen op winst ook sterk overschatten en daardoor (te) veel aan loterijen meedoen.

Speelt onzekerheid tegenwoordig een grotere rol dan vroeger? 
Dat wordt vaak gezegd, maar ik denk niet dat risico’s nu per se groter zijn dan vroeger. Mensen hebben in alle tijden met onzekerheid geleefd. Wel is onze kennis geavanceerder geworden. De gedragseconomie is eigenlijk pas sinds ongeveer 1980 echt opgekomen. Het kost tijd voordat zulke inzichten breed doordringen. In die zin is er nu meer aandacht en begrip voor onzekerheid. 

Heeft u het vakgebied de afgelopen veertig jaar zien veranderen?
Er was al vroeg aandacht voor psychologische factoren in de economie. Zo wees Nobelprijswinnaar John Maynard Keynes er in het begin van de twintigste eeuw al op dat emoties en verwachtingen een belangrijke rol spelen in economisch gedrag. Lange tijd dacht men echter dat zulke factoren niet systematisch te modelleren waren.
Rond 1980 kwam daar verandering in, vooral door het baanbrekende werk van de psychologen Daniel Kahneman en Amos Tversky. Zij lieten zien dat psychologische inzichten wel degelijk in formele modellen te verwerken zijn. Daarmee gaven zij een beslissende impuls aan wat we nu gedragseconomie noemen.
Mijn eigen loopbaan viel min of meer samen met die ontwikkeling. In de jaren daarna heb ik geprobeerd bij te dragen aan de verdere verspreiding van het vakgebied, onder meer door onderzoek en het opleiden van studenten. Inmiddels is gedragseconomie in Nederland duidelijk sterker verankerd. Nederland speelt internationaal een vooraanstaande rol in dit vakgebied.

Hoe werkt u zelf: theoretisch of empirisch? 
Allebei. Mijn hoofdwerk is altijd theoretisch geweest: wiskundige artikelen waarin ik nieuwe inzichten formuleer. Daar ligt mijn grootste kracht. Maar ik heb ook voldoende empirisch werk gedaan om te begrijpen hoe mensen zich werkelijk gedragen en om experimenten op te zetten. In mijn vakgebied versterken theorie en empirie elkaar. 

Is interdisciplinariteit daarbij belangrijk? 
Ja, al is dat woord soms ook een modewoord. In mijn vakgebied is het eigenlijk vanzelfsprekend. Gedragseconomie is vanaf het begin een vermenging van economie en psychologie. Maar ook filosofie speelt een rol, omdat je al snel op ethische vragen stuit. Daarnaast speelt wiskunde ook een centrale rol.

Werkt u vaak samen in een team?
Het meeste onderzoek gebeurt in teamverband. Vrijwel al mijn artikelen schrijf ik samen met anderen. Dat is ook waardevol, want je leert van elkaar en krijgt meer inzichten dan wanneer je alleen werkt. Het belangrijkste is dat het onderzoek, profiterend van veel inzichten, er beter van wordt.

U gold jarenlang als een van de productiefste economen van Nederland. Hoe bent u zo productief geworden? 
Ik werk hard, dat zeker. Talent? Daar word je mee geboren, daar moet je dankbaar voor zijn. Het speelt ook een rol dat ik mijn ontwikkeling altijd heel bewust heb aangepakt. Ik vergelijk het weleens met een topsporter of een topmuzikant: die blijven ook voortdurend trainen en zichzelf verbeteren. Al vroeg wist ik dat risico en onzekerheid mijn specialisme zouden worden. Ik heb er mijn leven lang systematisch aan gewerkt om daarin steeds beter te worden.

Hoe kijkt u daarop terug?
Ik maak weleens de grap dat je aan mijn publicatielijst kunt zien hoe eenzaam ik ben geweest. Als je je zo intensief aan onderzoek wijdt, moet je nu eenmaal ook dingen laten. Vroeger dacht ik bijvoorbeeld dat het mooi zou zijn om een jaar lang een wereldreis te maken, maar uiteindelijk heb ik dat niet gedaan. Zo’n onderbreking paste niet bij de manier waarop ik wilde werken.
Tot mijn vierentwintigste las ik heel breed: psychologie, archeologie, romans – van alles. Daarna heb ik vrij bewust besloten om me op mijn vak te concentreren. Ik wilde daarnaast wel hobby’s houden, maar dan juist hobby’s die heel anders waren dan mijn werk. Ik schaakte bijvoorbeeld graag, maar dat leek te veel op wiskunde, dus daar ben ik mee gestopt. Toen ik dat besluit genomen had was mijn eerste nieuwe hobby volksdansen – iets volkomen anders.

Denkt u dat u die dingen later nog gaat inhalen, bijvoorbeeld na uw emeritaat?
Neen. Ik zal zo lang mijn gezondheid het toelaat blijven werken, al zal dat geleidelijk minder worden. Ik heb nog veel ideeën die ik graag wil uitwerken en overbrengen, eigenlijk meer dan in één mensenleven past. Dat motiveert mij om door te blijven gaan zolang het kan. Ik zie mijn loopbaan dan ook niet als iets dat op een bepaald moment abrupt stopt, maar eerder als iets dat langzaam afneemt. Misschien komt er een moment waarop ik alleen nog tevreden uit het raam naar de wolken kan kijken. Dan zal ik daar vrede mee hebben.

Wat wilt u jonge onderzoekers meegeven? 
Vooral dat intrinsieke motivatie onmisbaar is. Wetenschap is creatief werk. Je kunt het niet goed doen als je het niet echt leuk vindt. Pas als je er vanzelf mee bezig blijft, ook buiten werktijd, kun je er echt goed in worden.

Als u vooruitkijkt: welke vragen over risico en onzekerheid verdienen de komende decennia volgens u de meeste aandacht? 
Wat mij bijzonder interesseert, is de vraag hoe je inzichten uit rationele modellen en uit empirische afwijkingen kunt gebruiken om gedrag te verbeteren. Juist in die afwijkingen zie je waar mensen systematisch minder goede beslissingen nemen. Daar is nog relatief weinig onderzoek naar gedaan, vooral omdat het complex is. Ook ligt het ethisch gevoelig (mag je paternalistisch zijn?). 
Tegelijkertijd ontstaan daar nu nieuwe mogelijkheden, dankzij artificial intelligence. We kunnen menselijk gedrag tegenwoordig ondanks de complexiteit veel nauwkeuriger analyseren dan vroeger. Daar ligt een belangrijke ontwikkeling.
Ook hoop ik dat we mensen beter kunnen laten begrijpen dat sommige risico’s juist wél genomen moeten worden. Als we in Nederland beter zouden begrijpen hoe je verstandig met risico omgaat, zou dat de samenleving veel kunnen opleveren, bijvoorbeeld veel betere pensioenen.