De internationale studieroute van Ema Albrechtová bracht haar uiteindelijk naar Nederland voor onderzoek naar glioblastoom. Door samen te werken met verschillende onderzoeksgroepen leerde ze één belangrijke les: “Samenwerking is de enige manier om vooruitgang te boeken.”

English translation

Je komt uit Tsjechië, maar hebt ook in Noorwegen, Zweden en Nederland gestudeerd. Hoe hebben die verschillende academische en culturele ervaringen jou gevormd als onderzoeker?
Ze hebben mijn horizon enorm verbreed. Mijn bachelor volgde ik in Tsjechië, waar het onderwijs sterk theoretisch is. Dat vond ik in het begin lastig, maar later merkte ik dat die theoretische basis me juist hielp bij al het praktische werk dat ik in het buitenland deed.
In elk land en in elk lab werken mensen anders. Ze plannen anders, houden resultaten anders bij. Dat heeft me veel aanvullende vaardigheden gegeven en een brede kijk op hoe je wetenschap kunt bedrijven.

Hoe kon je zoveel reizen?
Twee van mijn uitwisselingen werden mogelijk gemaakt door het Erasmus+-programma. Zonder die steun had ik nooit in Zweden of Noorwegen kunnen studeren. In Nederland kreeg ik een beurs van de overheid. Daarnaast heb ik altijd gewerkt naast mijn studie, en mijn ouders hebben me ook geholpen. Ik ben erg dankbaar voor alle kansen die ik heb gekregen.

Wat vind je van het Erasmus+-programma?
Ik raad het iedereen aan. Mijn eerste uitwisseling, in Zweden, heeft mijn leven veranderd. Het opende mijn ogen voor studeren in het buitenland en leverde me vrienden voor het leven op. Het maakte me ook echt een Europeaan.

Wat trok je voor het eerst aan in onderzoek naar glioblastoom en immuuncellen?
Ik wilde werken aan iets dat te maken heeft met echte patiënten. Glioblastoom is één van de meest agressieve hersenkankers, en er bestaat op dit moment geen genezende behandeling. Bestaande therapieën kunnen de ziekte vertragen of klachten verlichten, maar genezen doen ze niet. Daarom is nieuw onderzoek hard nodig.
In dit project keken we niet alleen naar de kankercellen zelf, maar ook naar de gezonde cellen in de tumoromgeving — vooral immuuncellen die door de tumor worden “misleid” en uiteindelijk de tumorgroei helpen in plaats van tegenwerken. Begrijpen hoe dat gebeurt en hoe je dat proces kunt onderbreken, stond centraal in mijn onderzoek.

Je werkte met zebravisjes die laten zien hoe tumorcellen en immuuncellen in real time met elkaar omgaan. Wat maakt dat model zo krachtig?
Ja — het gaat echt om kleine visjes! Deze specifieke zebravissen komen niet in het wild voor; ze zijn speciaal gekweekt voor onderzoek. Een bijzonder kenmerk is hun doorzichtige huid. Daardoor kun je een levende vis onder de microscoop leggen en letterlijk zien hoe een tumor zich in het lichaam ontwikkelt.
Bij muizen moet het dier vaak worden gedood om te kunnen zien wat er binnenin gebeurt. Zebravissen kun je meerdere dagen volgen. Ze geven daardoor een directe, zeldzame kans om de tumor in reële tijd te zien groeien — al worden ze op het ethische eindpunt wel geëuthanaseerd.

Je ontwikkelde een nieuwe screeningsmethode. Wat doet die precies?
In kankeronderzoek wil je vaak weten welke genen van invloed zijn op het verloop van de ziekte. Meestal test je één gen tegelijk — een langzaam en arbeidsintensief proces.
Wij maakten een experimenteel onderzoekstraject waarbij het veel eenvoudiger is om genen aan of uit te zetten. Daardoor kun je in één keer een hele reeks mogelijke doelwitten testen en snel zien welke interessant zijn. Het is een veel snellere manier om de eerste aanwijzingen te vinden voor toekomstige therapieën.

Wat betekent dit voor patiënten?
Dit is onderzoekswerk in een heel vroeg stadium. We hebben geen behandeling ontwikkeld, maar we hebben wel genen gevonden die mogelijk relevant zijn voor toekomstige medicijnontwikkeling. De technieken die we gebruikten zijn niet klaar voor klinisch gebruik — ze laten alleen zien dat het idee potentie heeft.
De echte waarde ligt in het aanwijzen van biologische processen die later misschien kunnen leiden tot betere behandelingen.

Wordt dit onderzoek voortgezet — en ben jij daar zelf bij betrokken?
Ja, diverse laboratoria van verschillende instituten gaan ermee door. Zelf nam ik na mijn afstuderen eerst een lange pauze: ik wandelde van Mexico naar Canada, dwars door de Verenigde Staten. Nu solliciteer ik naar promotieplaatsen — het liefst op het gebied van kankeronderzoek, misschien zelfs glioblastoom — maar waarschijnlijk niet binnen precies dit project.

Hoe heb je de samenwerking tussen al die instituten ervaren?
Die was essentieel. Glioblastoom is extreem complex. Geen enkel lab kan alle aspecten aanpakken. Je hebt immunologie nodig, nanotechnologie, zebravismodellen — al die expertise moet samenkomen. Samenwerking is echt de enige manier om vooruit te komen.

Delen wetenschappers informatie voldoende?
Niet genoeg. Onderzoek levert heel vaak negatieve resultaten op, en die zijn juist belangrijk om verder te komen. Maar ze zijn moeilijk te publiceren, waardoor ze vaak verdwijnen en andere groepen hetzelfde werk opnieuw doen. Dat kost tijd en geld. Helaas stimuleert het publicatiesysteem dit.

Je begeleider prees je doorzettingsvermogen. Je hobby is langeafstandswandelen. Helpt dat?
Misschien wel! Dit project heeft me veel geleerd over geduld. Veel dingen werkten lang niet. Soms kun je alleen verder door even afstand te nemen en te beseffen: dit project is belangrijk, maar het is niet mijn hele identiteit.

Ondanks de tegenslagen kies je toch voor een academische carrière. Waarom?
Omdat ik wetenschap geweldig vind. Begrijpen hoe dingen werken geeft me enorme voldoening. Wetenschapper zijn betekent elke dag iets nieuws leren — er zijn maar weinig beroepen waar dat zo vanzelfsprekend is. Dat is wat me drijft.