Diederik Jekel (1984) studeerde vastestoffysica aan de Universiteit Twente en vond kort daarna zijn weg naar de televisie. Hij werd een vertrouwd gezicht bij wetenschappelijke onderwerpen in De Wereld Draait Door en werkte mee aan programma’s als Noorderlicht, de Nationale Wetenschapsquiz en Labyrint. Ook was hij te zien in onder meer De Slimste Mens en Wie is de Mol? Hij is actief als presentator, maker en schrijver, met televisieprogramma’s, podcasts, boeken en columns op zijn naam. In 2025 ontving hij, samen met Anna Gimbrère, de Irispenning voor zijn bijdrage aan de wetenschapscommunicatie.

Wanneer begon jouw fascinatie voor wetenschap?
“Voor een groot deel bij mijn moeder. Zij is bioloog en heeft haar hele leven lesgegeven. Als kind vond ik vooral de dingen spannend die ik me nét niet kon voorstellen: een planeet die groter is dan de aarde, of iets dat sneller gaat dan je je kunt voorstellen. Dat soort ideeën prikkelden me. Ik denk dat die nieuwsgierigheid in je zit, maar het willen doorgronden en begrijpen is zeker aangewakkerd door mijn moeder. En ook het plezier in uitleggen: hoe maak je iets ingewikkelds begrijpelijk en leuk?”

In 2010 studeerde je af in de vastestoffysica aan de Universiteit Twente en datzelfde jaar zat je al bij De Wereld Draait Door. Hoe kwam die stap tot stand?
“Tijdens mijn studententijd was ik altijd al bezig met wetenschapsuitleg. Ik gaf bijles op scholen, deed proefjes, maakte voorstellingen; dat vond ik dat heerlijk. Mijn scriptiebegeleider was betrokken bij een aflevering van Het Klokhuis en via die weg leerde ik mensen van De Wereld Draait Door kennen. Toen ik eenmaal als promovendus bij de universiteit werkte, heb ik de stoute schoenen aangetrokken en gevraagd of ik iets mocht komen vertellen over de Nobelprijs voor de Natuurkunde die net was toegekend. Zo begon het te lopen.”

Hoe wist je: dit kan een loopbaan worden?
“Nu is het voor jongeren misschien logischer, met sociale media en video. In mijn studententijd begon dat net. Maar televisie vond ik altijd al leuk. Als kind wilde ik televisiepresentator worden. Ik ben opgegroeid met die jaren-negentig-televisie, met veel show en gezelligheid. Wetenschap vond ik prachtig. Dus toen ik merkte dat die twee samen konden komen, voelde dat als een enorme kans.”

Heb je er ooit spijt van gehad dat je niet bent gepromoveerd?
“Ik had promoveren fantastisch gevonden, maar ik moet oppassen dat ik dat niet romantiseer. Ik ben diep van binnen iemand die van veel verschillende dingen houdt.

Wat vind je het mooiste aan wetenschap?
“Dat je op slimme, vernuftige manieren achter de waarheid probeert te komen. Dat puzzeltje oplossen. Neem zoiets als het identificeren van gesneuvelde soldaten uit de Tweede Wereldoorlog: wetenschappers kunnen via koolstofisotopen achterhalen waar iemand is opgegroeid, omdat planten in verschillende gebieden andere isotopenverhoudingen hebben. Dat vind ik echt prachtig. Er zit iets heel moois in de manier waarop wetenschap je leert kijken.”

Komt het voor dat je moet zeggen: ‘Dit is niet mijn expertise’?
“Best vaak. Omdat wetenschap voor sommige mensen ver van hun bed staat, wordt me soms van alles gevraagd, en dan zeg ik: daar moet je mij niet voor hebben. Ik verwijs dan door naar collega’s. Tegelijk vind ik veel dingen interessant. Ik ben breder dan één vakgebied, maar niet alles is ‘mijn’ onderwerp.”

Wat is voor jou de kern van goede wetenschapscommunicatie?
“We krijgen, als burgers, allerlei kwesties op ons bord waar we niet om gevraagd hebben: kunstmatige intelligentie, energietransitie, klimaat, stikstof, corona. Daar lopen wetenschap en politiek door elkaar. Ik vind het belangrijk om die uit elkaar te trekken en de wetenschap toegankelijk uit te leggen, zodat mensen zélf een keuze kunnen maken op basis van feiten.”

Je mengt je op sociale media ook in pittige discussies. Waarom doe je dat?
“Ik denk dat de meeste wetenschappers niet door hebben hoe ver bepaalde stemmen online zijn geradicaliseerd. Als ik een filmpje post over klimaatverandering, ga ik ’s avonds urenlang alle reacties af. Dat doe ik vooral voor de meelezers. Als iemand onder een video schrijft: ‘Er is helemaal geen wetenschappelijk bewijs’, en daar reageert niemand op, dan blijft zo’n claim hangen. Er is te weinig tegenwicht tegen het anti-intellectualisme dat online rondwaart. Het is zeker niet de meerderheid, maar wel een heel luidruchtige minderheid.”

Je verschijnt op verschillende platforms, ook commercieel. Heb je een ondergrens?
“Het moet wel passen. Ik doe niets tegen mijn zin. Het moet óf leuk zijn, óf echt een functie hebben. Soms is het meer ‘kermis’ met wetenschap — explosies, spektakel — en toch vind ik dat waardevol als mensen daardoor iets meekrijgen van een wetenschappelijke manier van denken. En ik vind het belangrijk dat slimheid een positieve connotatie krijgt. Kinderen worden niet gepest omdat ze goed zijn in voetbal, maar wel omdat ze slim zijn. Dus als je aan een quiz meedoet waar slimheid centraal staat, kan dat iets positiefs doen.”

Moeten wetenschappers meer leren communiceren?
“Ja, maar alleen als ze het leuk vinden. En ze moeten het serieuzer nemen. Wetenschappers zijn heel nauwkeurig in hun onderzoek, maar zodra het over communicatie gaat, wordt het soms ineens heel onwetenschappelijk. Dan gaat het meer op gevoel en ‘gewoon wat doen’, zonder plan. Communicatie is ook een vak. Ik vraag me altijd af: wie is mijn publiek, wat weten ze al, waar maken ze zich zorgen om, wat helpt hen? En dan pas ik mijn manier van communiceren daarop aan.”

Welke ambities heb je nog?
“Ik zou ergens in de toekomst best de politiek in willen. Ik denk dat ik daar een steentje zou kunnen bijdragen, bijvoorbeeld als het gaat over energie en klimaat. Maar op dit moment hebben we een kind van tweeënhalf, en ik vind het belangrijk dat die een vader heeft die er is. Den Haag combineren met een jong gezin lijkt me lastig, dus daar wacht ik nog mee. Maar ze mogen me altijd bellen om een kop koffie te drinken.”

Wat zou je politici willen meegeven?
“Dat ik op de grote dossiers een inhoudelijk plan mis. Over AI in het onderwijs, over klimaat, en zelfs over defensie: waar gaan we naartoe? Het voelt vaak reactief. Ik denk dat mensen behoefte hebben aan een duidelijker verhaal. Wetenschappers kunnen helpen bij het schetsen van vergezichten en het aangeven van de complexiteit van de problemen. Alleen moeten zij dan wel mee gaan communiceren, en moet er ook echt naar hen geluisterd worden.”

Uitreiking van de Irispenning 2025 tijdens de Avond van Wetenschap & Maatschappij op 16 oktober 2025 met v.l.n.r. Henk de Jong, ondervoorzitter KHMW, Diederik Jekel, Gouke Moes, toen demissionair minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en Anna Gimbrère