Anna Gimbrère studeerde natuur- en sterrenkunde en theoretische natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam en ontwikkelde zich daarna tot wetenschapsjournalist en presentator. Ze werkte mee aan programma’s als de Nationale Wetenschapsquiz, Galileo en De Monitor, en presenteerde onder meer De wilde ruimte. Daarnaast is ze actief als podcastmaker en sinds 2025 als presentator van Keuringsdienst van waarde. In 2025 ontving zij, samen met Diederik Jekel, de Irispenning voor haar bijdrage aan de wetenschapscommunicatie.
Hoe is jouw fascinatie voor wetenschap ontstaan?
Ik denk dat het deels gewoon aangeboren is: nieuwsgierig zijn, eigenwijs zijn, vragen stellen. Mijn ouders stimuleerden dat ook; zij zijn zelf mensen die veel vragen stellen. Op de middelbare school koos ik een bèta-pakket en dat vond ik fantastisch.
Ik ben eerst geneeskunde gaan studeren. Dat is natuurlijk een prachtig vak, maar ik miste daar het fundamentele nadenken. Soms zat ik ’s nachts wiskundesommen te maken, omdat ik behoefte had aan die exactheid.
Toen ik opnieuw moest kiezen wat ik wilde studeren, kwam ik een folder van theoretische natuurkunde tegen. Toen ik die las, dacht ik meteen: dit ben ik. Dit is wat ik wil doen.
Wat sprak je daar zo in aan?
Dat je probeert door te dringen tot de kern van de werkelijkheid. Vragen waar je normaal gesproken niet bij kunt, of waarvan je denkt dat we er misschien nooit een antwoord op zullen vinden – dat je daar toch samen over kunt nadenken.
Het idee dat iets onmogelijk lijkt, maar dat je er samen toch steeds dichter bij een antwoord op kunt komen, vind ik magisch.
Heb je ooit te horen gekregen dat natuurkunde niets voor meisjes zou zijn?
Niet letterlijk. Mijn ouders hebben mij altijd het gevoel gegeven dat alles mogelijk was. Wel hoorde ik vaak dat het een heel moeilijke studie was en dat er een grote kans was dat je het niet zou halen. Maar dat had meer met de moeilijkheidsgraad te maken dan met mijn geslacht.
Zie je jezelf als een rolmodel voor meisjes die de wetenschap in willen?
Ik denk wel dat het belangrijk is dat mensen iemand zien die op hen lijkt in een bepaald vakgebied. Dat kan een enorme aanmoediging zijn.
Tijdens mijn studie vond ik het soms zwaar, maar dat had minder met mijn vrouw-zijn te maken dan met de cultuur. Ik denk dat veel mannen onderlinge competitie ervaren: laten zien hoe slim je bent en niet snel toegeven dat je iets niet begrijpt. Ik ben juist iemand die snel zegt: dit snap ik nog niet. Veel vrouwelijke studiegenoten herkenden dat gevoel.
Heb je het gevoel gehad dat je jezelf moest veranderen om je staande te houden in zo’n omgeving?
Er waren wel momenten waarop ik me daarvan bewust werd. Tijdens een presentatie maakte ik bijvoorbeeld veel woordgrappen en spotte ik over mezelf . Een klasgenoot zei daarna: “Je moet jezelf serieuzer nemen. Zo lijkt het alsof je de stof niet begrijpt.” Dat was echt een eyeopener.
Later zei Diederik Jekel eens iets vergelijkbaars toen we samen in een programma zaten. Hij vertelde zijn verhaal met veel zelfvertrouwen, terwijl ik, om mezelf in te dekken, mijn informatie liever nóg een keer wilde checken. Toen zei hij: “Je weet dit toch? Vertel het gewoon.” Dat heeft me wel geholpen.
Dus ik heb echt moeten leren om mezelf zelfverzekerder te presenteren. Ook al weet ik eigenlijk wel dat ik het kan. We begonnen met ongeveer tweehonderd studenten aan een bachelor en eindigden met zo'n twintig studenten op mijn master. Dat gaf me het vertrouwen: blijkbaar kan ik dit gewoon.
En in de televisiewereld voelt het anders. Daar is er behoefte aan iemand die dingen kan uitleggen. Daar zie ik het als mijn taak om informatie begrijpelijk te maken en aantrekkelijk te presenteren voor anderen.
Hoe ben je in de media terechtgekomen?
Dat had ik niet gepland. Tijdens mijn studie deed ik af en toe theater. Ik vond het leuk om op een podium te staan, maar ik had nooit bedacht dat je dat kon combineren met theoretische natuurkunde.
Aan het einde van mijn studie twijfelde ik of ik wilde promoveren. Toen zag ik een vacature voor presentator bij Het Klokhuis. Ik dacht: ik probeer het gewoon. Later liep ik stage bij de Nationale Wetenschapsquiz. Vanaf de eerste dag dacht ik: dit is geweldig. Ik mocht proeven bedenken, teksten schrijven, in de studio oefenen, meedenken over het programma. Toen wist ik dat ik hier verder mee wilde.
Wat is voor jou de kern van goede wetenschapscommunicatie?
Je moet je altijd afvragen: wie is je publiek en waarom zouden zij dit willen weten? Mensen hebben genoeg andere dingen te doen. Als je iets wilt vertellen, moet je echt tot de kern komen.
Daarnaast geloof ik heel erg in samenwerking. Wetenschappers weten veel over hun vak, maar creatieve makers kijken vaak heel anders. Die combinatie werkt fantastisch.
Ik hou ook van humor en lichtheid. Maar ik probeer tegelijkertijd de grote vragen te laten zien: hoe is ons universum ontstaan, waarom bestaan wij? Die probeer ik een beetje poëtisch te benaderen.
Hoe houd jij zelf je kennis bij?
Ik lees veel. ’s Avonds in bed tijdschriften als New Scientist en Scientific American en populair-wetenschappelijke boeken, of ik kijk wetenschapsvideo’s op YouTube. Dat vind ik juist ontspannend.
Komt het ook voor dat je zegt: dit is niet mijn expertise?
Ja, zeker. Bij RTL zit ik als vaste duider één keer per week aan tafel. Oorspronkelijk zou ik vooral over mijn eigen vakgebieden praten, zoals natuurkunde en ruimtevaart. Maar de onderwerpen worden steeds vaker gekozen op basis van wat online veel aandacht krijgt, bijvoorbeeld gadgets of AI. Als iets echt buiten mijn expertise valt, zeg ik dat ook en stel ik andere experts voor.
Beschouw je jezelf als wetenschapper of als journalist?
Op dit moment vooral als presentator. Ik heb wel een wetenschappelijke manier van denken, maar ik doe geen onderzoek, dus ik noem mezelf geen wetenschapper. En echte onderzoeksjournalisten doen werk dat ik enorm bewonder; dat kan ik niet op hun niveau. Ik zie mezelf eerder als iemand die complexe informatie toegankelijk maakt.
In welke programma’s ga je wel zitten en in welke niet?
Diederik Jekel zat lange tijd regelmatig bij RTL Boulevard, en eerlijk gezegd vond ik dat juist goed. Daar bereik je een publiek dat je anders niet snel bereikt.
Voor mij is er geen harde ondergrens zolang het over wetenschap gaat. Als puur om sensatie draait, doe ik niet mee. Maar als er een kans is om iets over wetenschap uit te leggen, grijp ik die graag.
Wetenschap lijkt tegenwoordig soms onder druk te staan. Merk jij dat ook?
Ja. Toen ik begon leek het vertrouwen in wetenschap alleen maar toe te nemen, maar op een gegeven moment kantelde dat. Dat vind ik mentaal best zwaar.
Soms krijg je op sociale media reacties dat je propaganda verspreidt of voor de overheid werkt. Dat raakt me niet persoonlijk, maar ik vind het wel verdrietig om te zien hoe snel wantrouwen kan groeien.
Ik denk dat we jongeren nog eerder moeten proberen te bereiken en beter moeten nadenken over hoe desinformatie online wordt verspreid. Platforms en algoritmes hebben daar nu enorme invloed op.
Wat zijn je ambities voor de toekomst?
Die zijn eigenlijk eindeloos. Op korte termijn werk ik met Jim Jansen aan een boek over AI, en aan een theatershow. Ik heb ook allerlei ideeën voor televisieprogramma’s.
Als ik echt mag dromen, zou ik ooit nog willen promoveren, misschien in de ruimtevaart, of iets op het gebied van natuurbescherming. Maar ik fantaseer ook wel eens over een stichting die opkomt voor dieren en ecosystemen. . Er zijn nog ontzettend veel dingen die ik zou willen meemaken. En ik wil wel graag iets bijdragen.
Daarnaast wil ik meer samenwerken met andere vrouwen in de wetenschap en de media. Samen kun je een veel groter publiek bereiken dan alleen.

Uitreiking van de Irispenning 2025 tijdens de Avond van Wetenschap & Maatschappij op 16 oktober 2025 met v.l.n.r. Henk de Jong, ondervoorzitter KHMW, Diederik Jekel, Gouke Moes, toen demissionair minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en Anna Gimbrère
