Jolijn Erven, winnares KHMW Proefschriftprijs Interdisciplinariteit: “Dit onderzoek had ik nooit alleen kunnen doen”

Jolijn Erven, winnares KHMW Proefschriftprijs Interdisciplinariteit: “Dit onderzoek had ik nooit alleen kunnen doen”

De KHMW Proefschriftprijs Interdisciplinariteit 2026 is toegekend aan Jolijn Erven. Zij promoveerde in december 2024 in Groningen op Decoding human-animal relationships in Prehistoric Europe: insights from paleogenomics of pig and cattle, een proefschrift waarin zij paleogenomica combineert met zoöarcheologie en isotopenanalyse. Met deze interdisciplinaire aanpak reconstrueert zij hoe mensen en dieren in het prehistorische Europa samenleefden, en ontwikkelt zij nieuwe methoden om oud DNA nauwkeuriger te analyseren.

 

Een deel van haar onderzoek verrichtte Jolijn aan het Smurfit Institute of Genetics aan het Trinity College in Dublin. Inmiddels is ze naar de Ierse hoofdstad teruggekeerd voor een aanstelling als postdoctoraal onderzoeker aan het University College Dublin.

Wat was de centrale onderzoeksvraag van je proefschrift?
Als het gaat om de Nederlandse prehistorie, is het een belangrijke vraag wanneer de eerste boeren zich in ons land vestigden. Lange tijd bestond daar discussie over. Sommige onderzoekers meenden dat de bewoners van Nederland in deze periode nog vooral jagers-verzamelaars waren, terwijl anderen dachten dat er al sprake was van veeteelt en landbouw.
Ons onderzoek laat zien dat er inderdaad al een boerenbestaan was. De mensen hielden runderen en varkens, en fokten die ook. Ze haalden hun vee dus niet van elders, maar beschikten over eigen kuddes.
Daarnaast wilde ik globaal vaststellen op welke manier domesticatie heeft geleid tot de ontwikkeling van boerderijdieren, hoe de mens dit proces heeft beïnvloed en hoe in het Neolithicum de mens-dierrelaties waren.

Waar lagen die nederzettingen?
Veel nederzettingen lagen langs rivieren, omdat die goede verbindingen boden met andere gebieden. Een van de belangrijkste vindplaatsen waar wij onderzoek naar hebben gedaan, is Swifterbant, in het huidige Flevoland. Deze vindplaats is ontdekt na de drooglegging van de Flevopolder in de jaren zestig en wordt al decennialang onderzocht. Een deel van het materiaal dat wij hebben gebruikt, is al in de jaren tachtig opgegraven.

Waarom is het Nederlandse wetlandsgebied, en vooral Swifterbant, zo geschikt om vroege veeteelt te bestuderen?
Dit gebied levert het vroegste bewijs voor veeteelt in Noordwest-Europa. Bovendien zijn er uitzonderlijk veel botresten bewaard gebleven en is de vindplaats gedurende lange tijd intensief onderzocht. Daardoor beschikken we over een zeer rijke dataset die zich uitstekend leent voor onderzoek waarin verschillende analysetechnieken worden gecombineerd.

Waarom is het belangrijk om te weten wanneer de eerste boeren zich hier vestigden?
Door te begrijpen wanneer en hoe landbouw en veeteelt ontstonden, leren we meer over onze eigen geschiedenis en over de ontwikkeling van de relatie tussen mens en dier. In mijn onderzoek kijk ik bijvoorbeeld ook naar de gezondheid van dieren en naar de veranderingen die plaatsvonden tijdens het domesticatieproces. Zulke kennis kan zelfs relevant zijn voor het begrijpen van moderne veeteelt. 

Waarom richtte je je vooral op runderen en varkens?
In Europa werden vier belangrijke diersoorten gehouden: runderen, varkens, schapen en geiten. Maar deze soorten bereikten verschillende regio’s via verschillende migratieroutes. In het natte landschap van het huidige Nederland speelden runderen en varkens in deze periode een veel grotere rol dan schapen en geiten.
In Swifterbant zijn bijvoorbeeld bijna drieduizend botten van varkens gevonden, tegenover slechts enkele resten van schapen en geiten. Daarom lag in ons onderzoek de nadruk op runderen en varkens.

 Welke rol speelden runderen en varkens in het leven van prehistorische boeren, en wat zegt dat over hun keuzes in de veeteelt?
Dat hangt af van het perspectief. Voor het dieet waren varkens waarschijnlijk het belangrijkst, omdat ze talrijker waren en vaker werden gegeten. Tegelijkertijd gingen mensen heel anders om met runderen dan met varkens. Runderen werden intensief gehouden en vormden echte kuddes die door mensen werden begeleid. Ze werden niet alleen voor vlees gehouden, maar waarschijnlijk ook voor melk en mogelijk als trekdieren, en hadden daardoor een centrale plaats binnen de gemeenschap.
Varkens daarentegen liepen veel vrijer rond in en rond de nederzettingen. Genetisch onderzoek laat zien dat zij zich regelmatig vermengden met wilde zwijnen. Dat wijst op een lossere vorm van beheer: varkens waren vooral een vleesbron en konden zich gemakkelijker aanpassen aan het landschap en aan contact met wilde populaties.

Je onderzoek laat ook zien dat verschillende diersoorten via verschillende routes Europa binnenkwamen. Wat leren de Donau- en Mediterrane migratieroutes ons over regionale verschillen in veeteelt?
In mijn onderzoek hebben we vooral gekeken naar de Donau-route, omdat daarvan voor ons onderzoek meer materiaal beschikbaar was. Waarschijnlijk verliep de verspreiding van landbouw langs de Middellandse Zee deels via maritieme routes. Dat kan betekenen – maar dat is niet meer dan een hypothese – dat kleinere dieren zoals schapen en geiten daar makkelijker werden meegenomen, terwijl runderen en varkens vooral via landroutes langs de Donau werden verspreid. Interessant is dat deze verschillende populaties later weer samenkwamen en genetisch vermengden.

Je proefschrift is een schoolvoorbeeld van interdisciplinair onderzoek. Hoe breng je paleogenomica, zoöarcheologie en isotopenanalyse bij elkaar?
Dat was alleen mogelijk dankzij samenwerking met specialisten uit verschillende vakgebieden. Mijn eigen achtergrond ligt in de moderne genetica, maar voor dit onderzoek hebben we genetische analyses van prehistorisch DNA-materiaal gecombineerd met archeologisch botonderzoek en isotopenonderzoek.
We konden bijvoorbeeld vaststellen dat de varkens in Swifterbant qua lichaamsgrootte niet duidelijk in een wilde of gedomesticeerde categorie pasten; de dieren waren niet bijzonder groot of klein, maar zaten allemaal een beetje in het midden. Genetische analyse toonde vervolgens aan dat het inderdaad om een mengpopulatie ging van gedomesticeerde varkens en wilde zwijnen. Isotopenonderzoek liet zien dat deze dieren voedsel aten dat afkomstig was uit menselijke nederzettingen. Samen wijst dat erop dat ze daadwerkelijk in en rond de nederzetting leefden.

 Hoe moeilijk is het om zo’n interdisciplinaire aanpak te realiseren?
Dat is best complex. Alle analyses moeten namelijk op dezelfde monsters worden uitgevoerd, anders kun je de resultaten niet goed combineren. Bovendien vraagt zo’n project om nauwe samenwerking tussen onderzoekers uit verschillende disciplines. Dit onderzoek had ik dan ook nooit alleen kunnen doen.

Wat levert deze interdisciplinaire benadering op dat met één methode niet zichtbaar zou zijn geworden?
Met alleen DNA-onderzoek hadden we bijvoorbeeld wel kunnen zien dat er vermenging was tussen wilde en gedomesticeerde varkens, maar niet waar en hoe dat precies gebeurde. Door genetische gegevens te combineren met isotopenanalyse en archeologische context konden we aantonen dat deze vermenging plaatsvond rond en binnen de nederzetting zelf. Zo konden we veel beter reconstrueren hoe mensen en dieren daadwerkelijk samenleefden.

 Naast deze inhoudelijke inzichten leverde je onderzoek ook een methodologische bijdrage. Een deel van je proefschrift gaat over het verbeteren van de analyse van oud DNA via genotype-imputatie. Wat is daarvan het doel?
Oud DNA is vaak sterk beschadigd en onvolledig. Het is bovendien duur om zulke gegevens volledig in kaart te brengen. Genotype-imputatie helpt om ontbrekende stukken genetische informatie statistisch aan te vullen. Je kunt het vergelijken met een puzzel waarvan veel stukjes ontbreken: met deze methode kun je een groot deel van het oorspronkelijke beeld reconstrueren zonder alle ontbrekende stukjes opnieuw te hoeven verzamelen.

Hoe ziet uw eigen vervolgonderzoek eruit?
Genotype-imputatie werd tot voor kort alleen op menselijk prehistorisch DNA-materiaal toegepast en niet op prehistorisch DNA van dieren. Maar nu zijn er wereldwijd mensen bezig om dit op dieren toe te passen. Toch zit er in sommige landen nog meer ruimte tussen de archeologie en het DNA-onderzoek. Nederland is een van de landen die hierin vooroploopt. Hier werken opgravingsbureaus nauw samen met universiteiten, en daarin is Nederland best wel uniek. 
Momenteel werk ik als postdoc-onderzoeker in Dublin. Hier pas ik vergelijkbare genetische analysemethoden toe op geiten en onderzoek ik domesticatieprocessen in een bredere Euraziatische context. Daarnaast werk ik aan publicaties over runderen op grotere geografische schaal, van het Midden-Oosten tot Ierland, Schotland en Spanje. In de toekomst wil ik deze methoden verder ontwikkelen en toepassen op andere diersoorten en onderzoeksvragen.

Tot slot: wat was voor u persoonlijk het belangrijkste inzicht uit dit onderzoek?
Voor mij was vooral de samenwerking tussen disciplines een hoogtepunt. Door genetica, archeologie en isotopenonderzoek te combineren konden we vragen beantwoorden die met één methode niet oplosbaar waren. Zelfs tijdens de COVID-periode, toen we elkaar lange tijd niet fysiek konden ontmoeten, bleef die samenwerking verrassend sterk. Dat laat zien hoe belangrijk het is dat onderzoekers uit verschillende vakgebieden met elkaar blijven samenwerken.

Jolijn bemonstert in een speciaal laboratorium een bot (Petrosa) voor oud DNA-onderzoek.

De uitreiking van de 

Eerste Treub Bate voor onderzoek naar ouderdom van Homo erectus op Java

Eerste Treub Bate voor onderzoek naar ouderdom van Homo erectus op Java

Vanaf dit jaar stelt de KHMW jaarlijks een onderzoeksbate beschikbaar voor wetenschappelijk onderzoek in de Nederlandse Cariben, Suriname en Indonesië. De Treub Bate is vernoemd naar Melchior Treub (1815-1910), directeur van 's Lands Plantentuin in Buitenzorg op Java. De naar hem vernoemde Treub-Maatschappij, opgericht in 1890, is in 2024 als Fonds op naam ondergebracht bij de KHMW.
De allereerste Treub Bate is toegekend aan een internationaal team onder leiding van paleoantropoloog Eduard Pop (Naturalis Biodiversity Center), voor onderzoek naar de datering van Homo erectus-vindplaatsen op Java. In dit interview licht hij het project toe.

 

Eduard Pop

Uw project richt zich op de datering van Homo erectus-vindplaatsen op Java. Waarom is juist de ouderdom van deze vindplaatsen zo belangrijk voor ons begrip van de menselijke evolutie?
Sinds de eerste vondsten van de Nederlandse arts, antropoloog en paleontoloog Eugène Dubois (1858-1940) op Java zijn er veel nieuwe fossielen ontdekt, zowel in Azië als in Afrika en Europa. Toch bestaat er nog altijd discussie over de ouderdom van veel vindplaatsen op Java. Dat maakt het lastig om precies te reconstrueren wanneer Homo erectus Zuidoost-Azië bereikte en hoe deze populaties zich daarna ontwikkelden.
Daarbij kijken we niet alleen naar de fossielen zelf, maar ook naar veranderingen in het landschap. Schommelingen in zeespiegel en klimaat hebben in het verleden grote invloed gehad op de leefomgeving van vroege mensen, en die factoren willen we met elkaar in verband brengen.

Over welke periode hebben we het eigenlijk?
Grofweg gaat het om een periode tussen ongeveer 1,5 miljoen en 100.000 jaar geleden. De precieze datering van veel vindplaatsen binnen dat tijdsvenster is nog onzeker, en juist daar richt dit project zich op.

Waarom is het zo lastig om zulke oude vindplaatsen nauwkeurig te dateren?
Voor relatief recente perioden beschikken archeologen over methoden zoals koolstof-14-datering. Voor oudere vindplaatsen werkt dat niet meer. Dan moet je indirect dateren, bijvoorbeeld via diersoorten die samen met fossielen worden gevonden, of via de geologische lagen waarin ze liggen. Maar zulke chronologische kaders worden regelmatig herzien.
Wij gebruiken daarom een methode die gebaseerd is op radioactief verval van isotopen: argon-argondatering. Die wordt traditioneel toegepast op vulkanische aslagen. Op Java liggen fossielen echter vaak in rivierafzettingen of modderstromen waarin materiaal uit verschillende perioden door elkaar is geraakt. Daardoor leveren klassieke dateringen soms onbetrouwbare resultaten op.
In dit project dateren we daarom niet één mengmonster, maar afzonderlijke kristallen. Door tientallen tot honderd individuele kristallen per monster te analyseren, kunnen we de jongste leeftijdsgroep isoleren. Die geeft de meest betrouwbare schatting van de ouderdom van de afzetting waarin de fossielen zijn gevonden.

U onderzoekt onder meer klassieke vindplaatsen zoals Sangiran en Trinil. Waarom zijn juist deze locaties zo belangrijk?
Trinil is de plek waar Dubois eind negentiende eeuw de eerste Homo erectus-fossielen beschreef. Daarmee werd de basis gelegd voor het onderzoek naar menselijke evolutie in Zuidoost-Azië. Tegelijk bestaan er nog altijd vragen over de exacte herkomst en ouderdom van die fossielen.
Sangiran is minstens zo belangrijk, omdat daar zeer veel Homo erectus-materiaal uit verschillende lagen is gevonden. Ondanks intensief onderzoek bestaat er nog steeds discussie over wanneer Homo erectus daar precies arriveerde en hoe de populaties zich vervolgens ontwikkelden. Sangiran en Trinil behoren daarom tot de sleutelvindplaatsen in het internationale paleoantropologische onderzoek.

Het doel van uw project is dus vooral het vaststellen van een betrouwbare chronologie?
Ja. We dateren meerdere vindplaatsen op dezelfde manier, zodat we ze onderling goed kunnen vergelijken. Daardoor kunnen we beter bepalen welke vindplaatsen ouder of jonger zijn en hoe de ontwikkeling van Homo erectus op Java in de tijd is verlopen. Daarbij kijken we ook naar veranderingen in het landschap waarin deze populaties leefden.

Onderzoekers Eduard Pop en Jeroen van der Lubbe verzamelen samen met collega’s van BRIN, Harman Rachmadhan, Yves Belgiaswara en Enriko, sedimentmonsters nabij Bumiayu (Centraal-Java, Indonesië), die in het project worden geanalyseerd.

Uw onderzoek kan bijdragen aan een herziening van het traditionele ‘Out of Africa’-model. Wat betekent dat precies?
Een van de vindplaatsen die we onderzoeken is Bumiayu. Daar is een zeer oude fauna gevonden, mogelijk ouder dan de bekende Homo erectus-vindplaatsen op Java. Tot nu toe zijn daar nog geen duidelijke Homo erectus-fossielen aangetroffen in dezelfde lagen, maar dat kan veranderen. Het nieuwe door Indonesië geleide veldwerkproject kan daar een belangrijke rol in spelen.
Daarnaast zijn recent fossielen onderzocht van Meganthropus javanicus, een mensachtige vorm die mogelijk verwant is aan nog oudere Afrikaanse soorten. Dat zou erop kunnen duiden dat de aanwezigheid van vroege mensachtigen in Zuidoost-Azië complexer is dan we tot nu toe dachten.
Dat betekent niet dat de oorsprong van de mens buiten Afrika zou liggen. Wel kan het erop wijzen dat migraties eerder plaatsvonden of complexer verliepen dan het klassieke model veronderstelt.

De Treub Bate is bedoeld om onderzoek in Indonesië te stimuleren. Hoe sluit uw project aan bij bestaande Indonesisch-Nederlandse samenwerking?
Nederlandse onderzoekers zijn al lange tijd actief in wat nu Indonesië is, maar dit onderzoek vond in het verleden plaats binnen een koloniale context. Tegenwoordig werkt Naturalis op verschillende vlakken intensief samen met Indonesische partners. Sinds een jaar of tien is ook het gezamenlijke palaeoantropologisch veldwerk in Indonesië sterk geïntensiveerd. Dit project sluit direct aan bij deze bestaande, gelijkwaardige samenwerking.

Een deel van de subsidie wordt gebruikt om een Indonesische onderzoeker in Nederland te trainen. Wat is het belang daarvan?
De argon-argon-dateringsmethode wordt momenteel nog niet in Indonesië uitgevoerd. Door een Indonesische onderzoeker actief te betrekken bij het laboratoriumwerk in Amsterdam, dragen we bij aan kennisoverdracht en de opbouw van lokale expertise. Dat maakt het mogelijk om in de toekomst vergelijkbaar onderzoek ook in Indonesië uit te voeren.
Tegelijk vereist deze methode zeer gespecialiseerde infrastructuur. Monsters moeten bijvoorbeeld eerst worden bestraald in een onderzoeksreactor voordat ze geanalyseerd kunnen worden. Ook Nederlandse onderzoekers maken daarvoor gebruik van internationale faciliteiten, onder meer in de Verenigde Staten. Dit betekent dat samenwerking op dit punt inherent internationaal blijft, maar wel op een steeds gelijkwaardiger basis, met gedeelde expertise en verantwoordelijkheden.

In hoeverre bouwen hedendaagse onderzoekers nog voort op de ontdekkingen van Eugène Dubois?
Het onderzoek naar Trinil bouwt nog steeds voort op de vondsten van Eugène Dubois. Zijn documentatie vormt een belangrijke basis, maar met moderne technieken kunnen we vandaag de dag de ouderdom en herkomst van fossielen veel nauwkeuriger bepalen. Tegelijkertijd is er meer aandacht voor de historische context waarin dit onderzoek plaatsvond, inclusief de rol van koloniale verhoudingen. Beide aspecten zijn essentieel om de Dubois-collectie goed te begrijpen.

Een deel van de Dubois-collectie wordt momenteel gerestitueerd aan Indonesië. Speelt dat een rol in het huidige onderzoek?
Ja. De belangrijkste fossielen, waaronder het beroemde dijbeen en een kies, zijn inmiddels teruggegeven aan Indonesië. Andere delen van de collectie zullen binnenkort volgen.
De Indonesische instellingen beschikken inmiddels over goede faciliteiten voor beheer en onderzoek. Bovendien wordt er in Indonesië zelf steeds meer geïnvesteerd in paleoantropologisch onderzoek. Dat versterkt niet alleen de samenwerking, maar draagt ook bij aan een meer gelijkwaardige onderzoeksrelatie.
Tegelijk speelt onderzoek naar menselijke evolutie in Indonesië niet alleen een wetenschappelijke rol, maar ook een maatschappelijke. De vroege menselijke geschiedenis van Java wordt gezien als een belangrijk onderdeel van het nationale verleden. Kennis over Homo erectus maakt bijvoorbeeld deel uit van het onderwijs, en lokale musea zoals dat bij Trinil worden regelmatig door schoolklassen bezocht.

Veldwerkteam dat tussen 2022 en 2024, in samenwerking met BRIN, opgravingen uitvoerde bij Sogen (op de achtergrond), langs de oevers van de Solo-rivier, circa 8 km ten oosten van Trinil; Eduard Pop uiterst rechts.

Uw project brengt verschillende vindplaatsen voor het eerst in één samenhangend chronologisch kader. Wat betekent dat voor toekomstig onderzoek?
Als we een betrouwbaar tijdskader hebben voor meerdere vindplaatsen tegelijk, kunnen nieuwe vondsten daar beter in worden geplaatst. Dat maakt het eenvoudiger om hun ouderdom en betekenis te bepalen.
Tot nu toe gebeurde dat vaak op basis van indirecte aanwijzingen, zoals diersoorten of geologische formaties. Door directe datering van de sedimentlagen ontstaat een veel steviger referentiekader voor toekomstig onderzoek.

Wat maakt de Treub Bate mogelijk dat zonder deze subsidie niet haalbaar zou zijn geweest?
De subsidie maakt het mogelijk om zowel het dateringsonderzoek zelf uit te voeren als een Indonesische onderzoeker bij het project te betrekken. Daarmee investeren we niet alleen in nieuwe resultaten, maar ook in duurzame samenwerking en kennisopbouw.
Daarnaast vormt dit project een belangrijke stap richting grotere gezamenlijke onderzoeksprogramma’s in de toekomst. In die zin is de Treub Bate een opstap naar vervolgonderzoek op grotere schaal.